Selecteer een pagina

“Zelfs als klein jochie in Brooklyn was Maurice zich al zeer bewust van het idee dat hij dood zou gaan. Hij werd door elke kinderziekte gevloerd – mazelen, roodvonk, dubbele longontsteking. ‘Mijn ouders dachten om de haverklap dat ik dood zou gaan,’ zei hij. ‘En dan zeiden ze dat ook steeds.’ Hij legde zijn tinnen soldaatjes op de dekens van zijn ziekbed. Hij keek door het raam naar de kinderen die buiten aan het spelen waren.
Zijn grootmoeder, afkomstig uit een sjtetl in de omgeving van Warschau, hulde hem op een dag helemaal in het wit: witte broek, wit overhemd, wit ondergoed, witte schoenen, en ze liet hem naast haar op het stoepje voor de deur plaatsnemen. Haar plan was dat de engel des doods voorbij zou komen en zou denken dat Maurice al een engel was, zodat er geen reden was om hem uit hun gezin weg te rukken.”

Ik ontdekte dit boek in ‘Motel Songs’ van Auke Hulst.

De Maurice uit dit stukje is Maurice Sendak. In vijf hoofdstukken worden de laatste levensdagen van Sendak, Susan Sontag, Sigmund Freud, John Updike en Dylan Thomas beschreven, en ook hoe ze omgingen met hun naderende dood.
Voorafgaand aan elk hoofdstuk staat een zwart-witfoto zonder uitleg, telkens van een kamer met soms nog een jasje over een stoel en pantoffels onder een bureau. We kunnen ons bij deze foto’s voorstellen dat ze de werkkamer van de overledene waren, achtergelaten om nooit meer terug te keren. Die foto’s waren voor mij het indrukwekkendst.
De stukken over de vijf hierboven vermelde beroemdheden vond ik soms boeiend, soms wat langdradig. De mooiste delen echter, wat mij betreft, zijn de proloog waarin Katie Roiphe het over haar eigen aanraking met de dood heeft, en de epiloog waarin ze in gesprek gaat met James Salter.