Selecteer een pagina

“Hij voelde zich overdag nooit zo heerlijk als wanneer hij laat in de nacht, vlak voor de ochtend, wakker werd en nog in bed lag. En toch stond hij elke dag op.
Hij vond dat een mysterie.
Er waren meer mysteries, dat wist hij ook wel, meer dan hem lief was, maar dit was het grootste mysterie van allemaal. Opstaan terwijl je liever zou willen blijven liggen.
Waarom is dat zo, dacht hij, en waarom elke ochtend opnieuw?
Hij draaide zich op zijn andere zij. Nu lag hij nog heerlijker en was opstaan nog mysterieuzer.
Het werd al lichter. Hij voelde het opstaan dichterbij komen. Het was alsof iemand eraan kwam om hem uit bed te trekken en als hij niet voortmaakte zelfs uit bed te trappen. ‘Hé jij, schiet eens gauw op …’ Hij hoorde hem in gedachte al roepen.
Hij balde zijn vuisten onder de deken. Als ik me nu eens verzet, dacht hij. Als ik eens heldhaftig ben en weiger op te staan en de hele dag in bed blijf liggen …”