Selecteer een pagina

” ‘Je hebt mijn cadeau nog niet gezien,’ zegt Cheryl.
Hij is blij dat hij zich met een reden kan verplaatsen.
‘Laat nu maar zien,’ weet hij uit te brengen.
Ze pakt hem bij de hand en trekt hem mee, door de garage het huis in, naar de huiskamer met de bakstenen haard en de lage zoldering, de glazen schuifdeur die uitkijkt op de dennen.
‘Doe je ogen dicht,’ zegt ze zodra hij op de bank zit, en dat doet hij, dankbaar. Wanneer je je ogen dicht hebt hoef je niet te reageren. Dan vindt iedereen het prima dat je gezicht blanco staat, nietszeggend. Alleen dan voelt hij zich vrij, met anderen erbij. Een afgrond, een streep overgebleven licht en dan glijdt hij opzij, valt in bonzende golven, zijn hartslag. Dat hart kan vlakbij zitten, of misschien is dit op kosmische schaal, de ringen van Saturnus en zo. Onmogelijk hierbinnen de afstand te schatten, geen herkenningspunten, alleen ons aanvoelen, krankzinnig veranderlijk.
‘Nu mag je ze opendoen,’ zegt ze en wanneer hij dat doet, ziet hij een tekening van hen twee├źn, schuin lopend door een bodemloze wereld. Zijn lichaam is vleesloos, bestaat enkel uit stokjes, en zijn gezicht is eenvoudig, een lachend cirkeltje, net als het hare. Hun stokhandjes zijn verstrengeld tot een potloodchaos, dat is vast wat we voelen als we iemand aanraken van wie we houden. Als het zichtbaar was, zou het er zo uitzien.
‘Prachtig,’ zegt hij, en dat meent hij. Hij heeft altijd gelogen over de kunstwerken van zijn kinderen, maar ditmaal vindt hij het echt prachtig, een geschenk van de depressie, die heldere, pure momenten, waarop hij directer dan ooit tevoren op de wereld kan reageren. ‘Zo mooi dat er geen grond is,’ zegt hij. ‘Alleen wij tweetjes, hand in hand. We komen nergens vandaan en gaan nergens naartoe. Alleen maar de zon, en het gevoel dat we krijgen als we hand in hand lopen.’
‘Ik hou van je, papa,’ zegt ze, en ze slaat haar armen om zijn hals. Hij wordt zo droevig van die onschuld. Hij doet zijn ogen dicht en klampt zich aan haar vast.”