Selecteer een pagina
“Twee weken geleden leek het een goed idee. Tickets gereserveerd. De Vriendin meegevraagd, het wordt een leuke avond, we gaan samen naar het theater. Maar twee weken later – vandaag dus – sta ik op de trein te wachten als op een endoscopie. Elke cel in mijn lijf schreeuwt dat ik terug naar huis moet, mijn bed in, onder een deken, mij verstoppen voor de wereld. Het is weer zover. Ik zou kunnen zeggen dat ik geen zin heb, maar zelfs als dat zo is, dan is dat het secundaire obstakel. Meer dan onwil voel ik angst. Belachelijk, hè? Ik weet het. Ik ben bang om een avondje uit te gaan. I think I’m paranoid. Neurotische vogels bouwen nesten in mijn hoofd.
Het eerste nest. Ik moet twee treinen nemen. Zal ik mijn aansluiting halen, vraag ik mij af. Zal ik op de helft van trein twee niet ineens dringend naar de wc moeten, op het toilet van de trein gaan, zal er toiletpapier zijn, moet ik daarna dan terug naar mijn zitplaats gaan langs de nieuwsgierige of afkeurende blikken van de andere passagiers, de schaamtewandel van iemand die naar het toilet gaat op de trein, wie doet dat nu? Heb ik mijn Rail Pass wel goed ingevuld, toch niet per ongeluk oktober in plaats van november? Zal de controleur mij een boete geven, of, nog erger, diep zuchten en mij scheef bekijken alsof ik een stout kindje ben, Nele heeft haar huiswerk niet gemaakt en de brief over het oudercontact is niet getekend? Dit komt nooit goed.
Het tweede nest. Vindt De Vriendin me wel echt leuk? Betalen mijn ouders haar misschien om mijn vriend te zijn? Zal ze me vragen hoe het met me gaat, zal ik daar dan eerlijk op antwoorden, zal ik niet beginnen wenen terwijl ik eerlijk antwoord? Wie wil er nu een treurwilg als gezelschap? Luister ik wel genoeg? Ik heb naar een podcast geluisterd die zegt dat luisteren heel belangrijk is. Ik ben vast egoïstisch. Het zal waarschijnlijk de laatste keer zijn dat ze met me weg wil gaan. Dit komt nooit goed.
Het derde en grootste nest. Het netwerk. Het gekeuvel met collega-theatermakers, de vraag waar ik nu mee bezig ben, het namedroppen waar ik me altijd zo vuil over voel. Ik kan het wel, daar niet van. Bij sociale gelegenheden allerlei blink ik van het lachen. Maar daarna sta ik te rillen op de gang, te woelen in mijn bed, alles te overdenken wat ik tegen die en die zei en hoe stom dat was, en dat ik mij daar nooit meer kan vertonen. Als het een beetje tegenzit, dan probeer ik die angst met alcohol te bestrijden, waardoor ik verander in een megafoon met tanden en dan nog een van het ongepast flirterige soort. Bovendien, als ik drink, zal ik mijn trein terug vanzelfsprekend missen. Dit komt nooit goed.
Als kind nam ik een partje sinaasappel, at het vruchtvlees op, plaatste de schil voor mijn tanden en lachte een oranje glimlach. Dat gevoel heb ik nog steeds. Mijn lach is een schil. Ik ben bang van mensen. Ik ben bang van wat ze van me denken als de schil op een dag afvalt. En mijn schil hangt los vandaag. Het is beter thuis te blijven.
Nog twee minuten en de trein is hier. Ik ben moegepiekerd. Ik stuur De Vriendin een berichtje en zeg dat ik ziek ben, niets ernstigs. Verkoudheid is al jarenlang een handig schaamlapje voor sociale angsten, depressies en andere grillen van mijn gemoed. Beter je neus verstopt dan je brein. Mooi opgelost. Geen schade, geen schande.
Ik word opgeschrikt door een lage stem die mijn naam zegt. Een vage kennis staat ook op dit perron. Hij vraagt hoe het met mij gaat, waarop ik begin te huilen. ‘Het spijt me,’ zeg ik, ‘ik heb net een afspraak afgezegd omdat ik te veel mensenvrees heb, ik kan het nu niet aan om over koetjes en kalfjes te praten.’ Voor ik kan zien hoe beduusd hij mij aankijkt, vlucht ik naar huis. Op de valreep toch nog betrapt. Snel mijn bed in, onder een deken, mij verstoppen voor de wereld. Ik probeer mezelf ervan te overtuigen dat ik moe ben, niet gek.”