Selecteer een pagina

“De eerste keer had hij nog geprobeerd een praatje te maken met een vrouw (het was die nacht een vrouw) achter de toonbank, omdat hij dacht dat het beleefd was de ongemakkelijke stilte vol te praten. Maar ze had hem alleen maar strak aangekeken terwijl hij stotterde en de espressomachine bromde. Uiteindelijk had ze hem zijn kopje toegeschoven en gezegd: ‘Ik ben de barista, meneer. Ik ben hier niet om te kletsen, ik ben hier om de koffie te zetten.’
De volgende keer had hij daarom geprobeerd een koffie to go te halen en meteen weer weg te gaan, maar dat had alleen maar voor nog meer ongemak gezorgd omdat een jongen met een bril (het was die nacht een jongen met een bril) wilde dat hij zijn naam zou zeggen zodat die op zijn beker geschreven kon worden. De inbreker had gevraagd waarom dat moest. Er was op dat moment niemand anders in de koffietent.
‘We doen er verder niets mee, hoor,’ had de jongen met de bril meteen gezegd. Zijn privacy zou gewaarborgd blijven, verzekerde hij hem. Het ging hem helemaal niet om de privacy, het ging hem om het gebrek aan logica, maar de jongen had stug volgehouden dat het systeem hem nu eenmaal verplichtte om een naam op de beker te schrijven voor hij die kon meegeven. Ze hadden elkaar een tijdje zwijgend aangekeken, wachtend tot de ander zou toegeven, en toen had de inbreker maar gewoon een naam verzonnen. De jongen had het hoofdschuddend op de beker geschreven, er een plastic deksel op gedrukt en gezegd: ‘Je ziet er helemaal niet uit als een Ruud.'”