Selecteer een pagina

Om de paar dagen wandel ik naar de supermarkt vlakbij voor wat verse groenten en fruit en een paar andere zaken. Het is een nieuwe, grote, gezellige winkelruimte, met veel ruimte tussen rekken en kassa’s, en daarom kom ik er graag, maar deze dagen is zo’n uitstap toch vooral een bron van stress. Toen ik er deze voormiddag aankwam, zag ik al van ver dat er niemand van het personeel te bespeuren was op de parking, in tegenstelling tot twee dagen geleden. Toen stond er een vriendelijke en goedlachse jongen die mij een ontsmette winkelkar aanbood en voor alle zekerheid ook nog eens mijn pas aangetrokken wegwerphandschoenen behandelde. ‘Is niet echt nodig, maar het kan ook geen kwaad, hè’, glimlachte hij.

Toen ik er enkele dagen dààrvoor was, had er nog een bebrild meisje achter de glazen toegangsdeur gestaan, dat me had verplicht een niet-ontsmette winkelwagen te nemen (iets wat ik al niet doe in niet-coronatijden, het was dan ook even zoeken naar een muntstuk), om de kar pas nadat ik ze had aangeraakt (gelukkig met handschoenen) met haar spuitbusje onder handen te nemen.
Daar ik tot een risicogroep behoor door mijn op hol geslagen immuunsysteem, ben ik extra voorzichtig, en bij deze gang van zaken voelde ik me dus niet gelukkig. Ik was dan ook opgelucht toen de jongen mij eergisteren een reeds losgemaakte en ontsmette winkelwagen gaf.

Omdat ik vandaag dezelfde procedure verwachtte, was ik verbaasd niemand bij de karren te zien staan. Toen ik het meisje met de bril door de inkomdeur bespeurde, wou ik haar dan ook vragen wat ik moest doen. Ik trok mijn handschoentjes aan en ging voor de deur staan zodat die opengleed, begon, nog steeds buiten staand, mijn vraag te stellen maar werd meteen vanachter het mondmaskertje toegesnauwd: ‘Het is verplicht een kar te nemen!’ Ik antwoordde dat ik me daarvan bewust was, maar me afvroeg of de karren dan niet meer werden ontsmet. ‘Dat doe ik nàdat je ermee naar hier bent gekomen!’ ging het maskertje. ‘Maar ik heb geen muntstuk bij me, omdat dat enkele dagen geleden niet hoefde’, was mijn volgende bekommernis. ‘De karren zijn los!’
Dus nam ik een kar laag langs de zijkanten vast tussen mijn gehandschoende polsen, en duwde die onhandig tot voor de snauwster. Terwijl ze zich met haar spuitbus uitleefde, wees ze me op de verdeler met ontsmettingsproduct die rechts van me stond. ‘Ook met deze pas aangetrokken handschoenen?’ waagde ik toch nog maar. ‘Ja’, snibde ze. En toen moest ze me ook nog uitleggen hoe de verdeler werkte. Verbouwereerd dankte ik haar, ze draaide nors grommend haar hoofd van me weg.
Overstuur stapte ik de winkel binnen. Het was helemaal niet mijn bedoeling vervelend te doen of dingen ter discussie te stellen; ik had gewoon vragen bij de steeds veranderende situatie daar omdat ik niet wist wat er deze keer van mij werd verwacht. Ik snap ook wel dat het niet fijn is voor het winkelpersoneel om op deze manier te moeten werken, en dat er wel mensen zullen zijn die morren omdat ze de regels niet willen opvolgen, maar het kan toch ook op de manier van de vriendelijke jongen?

Ik stond naar de verse slaatjes te kijken en wist even niet meer wat te doen of wat ik nodig had. Gelukkig had ik een boodschappenlijstje bij me, dat ik tussen twee latex vingers uit mijn handtas pulkte. Omdat vier van de zes producten die ik had opgeschreven niet in de rekken lagen, en ik er niet in slaagde aan dingen te denken die nièt op mijn lijstje stonden, liep ik wat doelloos rond en raakte zelfs een beetje in paniek. In de verte hoestte een vrouw. Ik wou daar weg, en mijn doelloosheid verlengde mijn verblijf maar. De yoghurt die ik wou, zocht ik op een verkeerde plaats, en daar viel mijn blik op vier kuipjes karamelflan, iets wat ik nooit eet of in huis haal, maar plots hoorde ik een overstuur zijnde Ross ‘flan!’ piepen – want hij had flan gemaakt, zoals hij dat gisteravond deed in de Friends-aflevering ‘The one where Ross is fine’, waar we ritueelgewijs naar keken voor het slapengaan, en ik griste de potjes vanachter de glazen wand met mijn verplicht ontsmette vingers en legde ze in mijn verplichte te laat ontsmette kar, en beende toen gauw naar de kassa, waar een meisje me van achter plexiglas vriendelijk goedemorgen wenste. Ik was haar zo dankbaar.

Thuis was er gelukkig mijn man die net koffie stond te maken tijdens zijn werkpauze, en bij wie ik, half in tranen, kon ventileren. Hij gaat me nog uitlachen wanneer hij straks de potjes flan in de koelkast ontdekt.