Selecteer een pagina

Gisteravond was er de tweede bijeenkomst van de leesclub waarvan ik onlangs lid werd. We bespraken ‘Nultijd’ van Juli Zeh. Omdat ik het boek al een maand of twee geleden gelezen had (we komen om de twee maanden samen en geven het boek per twee aan elkaar door, en ik had het als eerste meegekregen), en zoveel boeken lees dat ik snel vergeet, had ik notities gemaakt en daarop las ik, aan het einde: ‘geforceerde verhaallijn, ongeloofwaardig’.

We zaten met negen rond een grote tafel: twee mannen, zeven vrouwen. Vier waren niet opgedaagd. De begeleider startte met een rondje ‘wat vonden jullie ervan’. Aangezien ik rechts naast hem zat, en de ronde kloksgewijs werd gestart langs de andere kant, kwam ik laatst aan de beurt. Maar doordat degene vòòr mij zoveel reacties bij de anderen losmaakte, werd ik vergeten. De begeleider begon aan het volgende punt op zijn lijstje, maar Rachel, een lieve oudere dame met een pittig kapsel, onderbrak hem: ‘Katrin hebben we nog niet gehoord!’ Dat vond ik fijn van haar, maar tegelijk voelde ik me wat opgelaten omdat nu de aandacht werd gevestigd op Katrin-de-vergetene. Ik was even onzichtbaar geweest, een nogal gevoelig punt voor me. En toch: Rachel wou graag weten wat ik van het boek vond.
Ik maakte me extra zichtbaar door dat uitgebreid mee te delen. Na de toch weer kleine vergissing om te beginnen met: ‘Tja, de meesten hier hebben al gezegd wat ik er zelf ook van vond.’ Ook al was dat de waarheid, ik hoor daarin: mijn mening doet er niet zo toe. Het is oké dat ik onzichtbaar ben. Nu maak ik mezèlf onzichtbaar.
Dat alles hoor ik pas nu, nu ik erover nadenk; gisteren heb ik mezelf – onbewust – gecorrigeerd door toch nog mijn mening aan bod te laten komen.

Wanneer ik iets vertel in een groep, ben ik me erg bewust van alle ogen op mij. Ik ziè ze dan ook nog eens, want ik spreek niet de groep aan, maar de mensen. Ik kijk hen dus allemaal aan, en probeer dat zo goed mogelijk, maar ook weer niet geforceerd, te verdelen. Het is moeilijk om de begeleider, die meestal de vraag stelde, niet méér aandacht te geven dan de anderen. (Sommigen richten zich volledig op hem.)
Omdat ik ook nog eens moet nadenken over wat ik wil zeggen, en er moet voor zorgen dat ik duidelijk en helder overkom, en hoop dat ik niet rood zal worden, wordt dat een hele opdracht. En tegelijk geniet ik van de aandacht, en wil ik graag veel zeggen, vaak mijn mening laten horen.
(Toen ik enkele jaren geleden bij mijn boekpresentatie een hele zaal toesprak, iets wat ik nooit eerder had gedaan, was dat kicken, en wou ik er meteen een halve stand-upcomedyshow van maken.)

Ik zag dus hoe mijn leeskringgenoten mij zagen en hoe al die oordeeltjes over mij gevormd werden. Hoe ze details opmerkten en fantaseerden zoals ik dat doe bij de anderen wanneer zij aan het woord zijn. Pittig kapsel, leuke bril, schermrode ogen, stugge haren, mollig maar toch mooi figuur, clichégedachte, lijkt wat op Suzanne, vast veel meegemaakt op die leeftijd, wakkere ogen, lijkt me sympathiek, mooi topje lijkt wel slangenhuid zij droeg de vorige keer ook al zo’n mooie trui waar zou ze haar kleren kopen, noteert alles zo netjes in dat schrift, kijkt mij bijna nooit aan, dat snelle korte gesnuif de hele tijd zouden de anderen dat ook horen, er even op letten of ze me nog aankijkt tijdens haar verhaal nu ik daarnet heb uitgesproken dat ik het niet met haar eens was op dat punt, die turkooisblauwe haarlokjes fleuren haar er nogal gewoontjes uitziende gezicht helemaal op, wat kan ze zich goed uitdrukken, hij is de groep een beetje aan het kwijtraken, mooi die knalrode nagellak, ze is wel grappig, hij is de enige die cola drinkt, hé zulke lippenbalsem heb ik ook, hij is wel stil vandaag, als zij begint te spreken heeft ze meteen ieders aandacht, leuk dat nonchalante kapsel maar waren haar haren de vorige keer ook zo lang?

Een paar keer begon ik iets te zeggen, tegelijk met iemand anders. Dan ging de aandacht naar de andere en moest ik wachten. Ook die keer toen iemand net na mijn eerste woord begon te praten. Ook toen dreigde de aandacht naar hem te gaan. Ik maakte mijn stem luider en zette door, het voelde als een strijd. Steeds meer gezichten draaiden toch mijn richting uit; ik voelde hun twijfel: naar wie moeten we luisteren? Nu kon ik niet opgeven, dat zou helemaal een nederlaag zijn. Dus praatte ik nog wat luider, alles of niets. Ik won, maar had zin om helemaal te zwijgen.
Ik denk dat ik gewoon niet zo goed ben in groepen. Geef mij maar een een-op-eengesprek.