Selecteer een pagina

Toen we zaterdag met de auto terugkwamen van zee en naar onze gebruikelijke zee-playlist luisterden, een mengeling van Asaf Avidan en Daughter, besliste ik bij het prachtige ‘Twisted olive branch’ plots luidop: dit laat ik spelen op je begrafenis. Ik keek naar zijn profiel links van me, maar daar viel niets af te lezen behalve concentratie op de snelweg voor ons; dood is dood. In stilte luisterend vervolgden we onze weg, geen idee voor hoelang nog.

– – –

Terwijl ik deze zinnen typ, beluister ik het lied nog een keer om de sfeer opnieuw op te roepen. Hij komt zijn thuiswerkkamer uit en lacht: ‘Ah, ben jij dat? Ik wou net komen zeggen dat de dakwerkers aan de overkant smaak hebben.’ Hij komt achter me staan, streelt zacht mijn rug en zegt: toch echt wel een mooi lied, hè. Op zijn reacties zit soms dagen vertraging.

– – –

Nu het normale leven zich weer langzaam op gang trekt, was het dinsdag tijd om mijn lange haren drastisch in te korten. Ik had een half jaar geen kapper gezien. Een vriend vroeg me middels een berichtje grappend of ik, nu ik de dag ervoor vijftig was geworden, nu was overgeschakeld naar ‘kort en pittig’, maar nee, ik ging gewoon veilig van heel lang naar lang.

Ook al had ik al wel mondmaskertjes gedragen in de winkel en bij de dermatoloog, bij de kapper besefte ik pas hoe slecht ik daarin ben. Of: hoe makkelijk mijn adem mij in de steek laat. Terwijl ik nog maar zat te wachten op mijn beurt, wou ik dat ding al van mijn gezicht rukken. Ook al probeerde ik zo rustig en beheerst mogelijk te ademen, het zelfs als een meditatie te zien, toch kreeg ik het steeds weer zo benauwd dat ik bijna fysiek onwel werd. Op mijn bovenlip braken piepkleine zweetdruppeltjes uit. Een paar keer haakte ik het elastiek van één oor af om toch twintig seconden naar adem te kunnen happen, maar ik besefte al gauw dat de oplossing lag in de gewenning. Hoe kon het anders dat zowel beide kapsters als de twee klanten in de kapstoelen zo heftig tussen de plexischermen en met in aluminiumfolie ingepakte hoofden zaten te kwekken zonder flauw te vallen? Toen het dan eindelijk mijn beurt was, gaf ik de kapster een gesmoord doch welgemeend compliment.
Het was raar om naar mezelf te zitten kijken in de spiegel, een en al onschuldig oog. Ik vond dat ik er beter uitzag dan met neus en mond erbij, hoewel ik nooit een probleem heb gehad met die twee, mijn neus zelfs mooi vind. Mijn ogen leken veel groter nu. Er was alleen maar kijken.
Naast mij ratelde een klant vanachter het scherm maar door over hoe goed ze tegen drinken kan. Ik geeuwde ongezien.

Maandag was ik dus jarig. Toch volgens mijn ouders. Ik heb deze leeftijd nog wat proberen uit te stellen door mij destijds vier dagen langer dan voorzien in de baarmoeder te verschansen, maar nu was er geen ontsnappen meer aan.
Om een eventuele teleurstelling voor te zijn (met de vorige jaren in gedachten), had ik mezelf enkele weken geleden al een stapeltje boeken cadeau gedaan. Dit jaar zou ik niet zielig met lege handen blijven! En maar goed ook, want het enige cadeau dat ik ontving, aan de vooravond van deze bijzondere verjaardag, was een gratis stoelgangtest van de Vlaamse overheid.
En op maandag had ik in de supermarkt ook nog eens een doosje met twee kleine frambozentaartjes gekocht, om ‘s avonds, wanneer mijn man thuis zou zijn van zijn werk, samen te vieren. Maar voor het zover was, had ik beide taartjes zelf al naar binnen gespeeld. Ach, hij geeft toch niet om taartjes. En het was tenslotte mìjn verjaardag.

Toen ik vannacht mijn gebruikelijke uurtje wakker lag, voelde ik me plots dan toch nog een beetje zielig, ondanks alle genomen maatregelen. Dat mijn man me had gezegd dat ik voor mijn verjaardag mocht kopen wat ik wou, en dat ik van mijn ouders – onverwacht – geld had gekregen, telde even niet mee. Nee, ik moest denken aan de moeite die ik de voorbije maanden, midden in coronatijd, had gedaan om verjaardagscadeautjes te verzinnen en kopen voor anderen en ze veilig tot bij hen te krijgen, en dat de verhoudingen zo al jaren scheeflopen, en dacht: wie lange tijd meer geeft dan krijgt, kan niet anders dan zichzelf weggeven, stukje na stukje. Ik nam me voor de zoveelste keer voor me verder te bekwamen in het ophouden met geven, maar besefte toen dat dat mij toch niet zou lukken, en ook dat geven eigenlijk krijgen is. Ik haalde nog een paar keer diep adem in deze muffe, warme nacht, en sliep toen verder.