Selecteer een pagina

Ik lig op een dun matje op een open plek in het bos. Rondom mij liggen zeven anderen in een halve cirkel, ook op matjes op het klamme gras. Het is half tien ‘s avonds, maar nog niet donker. Ik ruik gras, muggenlotion. Wanneer ik mijn ogen open, zie ik muggen kriskras door elkaar vliegen, maar ze wagen zich niet door het schild dat ik aanbracht. Hoger dan de muggen, veel hoger, beweegt een vliegtuig, niet groter dan een mug, zich langzaam en geluidloos door de blauwe lucht. Ik merk het alleen maar op doordat het blinkt in het zonlicht. Zonlicht dat de aarde al niet meer bereikt.
Sara heeft gevraagd de ogen te sluiten, mogelijk ben ik de enige die kijkt. Het vliegtuig met mijn ogen volgend, kom ik helemaal tot rust.
Tussen de bomen rond ons klinken dierengeluiden, dichtbij en ver weg. Vogels, gekraak, geritsel. In de verte gaat een specht tekeer. Ik zou hier elke avond willen liggen.

Wanneer ik die nacht wakker word, denk ik aan het rustgevende bos. Ik stel me voor hoe de plek waarop ik enkele uren geleden yogales had, er nu bijligt. Het gras nog wat plat van de matjes, alles donker nu, misschien een beetje verlichting van de maan, het dierenrumoer luider. Geen mens te bekennen. Ook niet om te zien wat daar gebeurt.

Met vier zitten we onder de grote, nieuwe parasol op ons terras. We eten de pastasalade met garnaal die ik heb gemaakt, het weer is niet te koud en ook niet te warm. De fusilli zijn perfect al dente.
Het gesprek komt op kruipkelders. Mijn vader zegt: wij hadden er vroeger ook een, hè. ‘Ja,’ antwoord ik met een glimlach, ‘die kelder waar je me een keer naartoe sleurde, mijn broer er huilend achteraan omdat we allebei zo bang waren voor die ruimte.’
Ik zie zijn gezicht veranderen. ‘Dat kan ik me niet herinneren’, zegt hij onzeker. En, zachter: ‘Dat is niet waar.’ Ik reageer lachend: ‘Ik zal stout geweest zijn, zeker.’ We hebben het snel over iets anders.
Die avond komt alles weer boven. Broer en ik ruziënd, ouders boos. Met vader de trap af, huilend, sneller dan mijn voeten kunnen volgen. Broer er achteraan, ook huilend, smekend. Uit plaatsvervangende angst, maar ook uit schuldgevoel, want hij was de aanstoker (maar ik de oudste). En hoe ik op het laatste nippertje dan toch niet dat kleine groene deurtje werd doorgeduwd.

De vader onder de parasol is niet de vader van de kelder. Hier zit een fragiele, ietwat gebogen man die gespaard moet worden. Hij zal er niet zo erg lang meer zijn, en dan ga ik hem missen. Ik zou daar nu al om kunnen huilen. Toch slaag ik er niet in hem vast te grijpen, hier te houden, te denken: nù, nù, nù!
Mijn ouders gaven me onlangs een oud fotoalbum. Het gaat over onze jeugd, toont vier mensen die ik niet ken. Een jonge slanke sterke man. Een jonge slanke zorgelijke vrouw. Een dochter. Een zoon. De kinderen kunnen nog alle kanten op.
Er zijn foto’s in allerlei combinaties. Man met meisje. Man met jongen. Vrouw met jongen. Vrouw met meisje. Man met vrouw. Meisje met jongen.
Op een van de foto’s houdt de man het meisje en de jongen stevig vast bij hun handen. Hij trekt de handen zo hoog de lucht in, dat oksels bijna scheuren. Ook al staan de jongen en het meisje in twee millimeter zeewater, toch wil de man hen behoeden voor de verdrinkingsdood.
Dit is niet de man die met twee huilende kinderen voor het kleine groene deurtje staat.
Daar staat een vader die nog alles kan. Wilde tochten met de slee door de achtertuin. Het monster onder het grote deken dat met joelende kinderen op zijn rug over de meubels kruipt. De man die onderaan de trap staat en je aanmoedigt je in zijn gespreide armen te laten vallen. In deze wereld is alles nog veilig, hier blijft het groene deurtje gesloten.

Na het dessert gaan ze weer naar huis. Ik loop met hen mee naar hun fietsen aan de zijkant van het huis, zie twee smalle ruggen weggaan, een beetje tegengehouden door de ouderdom.
Het zal een van de laatste keren zijn, dat weggaan. Daarna blijven alleen herinneringen over. Eenzijdige. En er zal niemand meer zijn om ze te ontkennen.