Selecteer een pagina

Dag K (en vaarwel),

Gisteren begon zoals elke ochtend. Ik vulde een kom met muesli, roerde er yoghurt door, strooide er wat bessen, frambozen, schijfjes banaan en nectarine overheen, en ging ermee aan mijn laptop zitten. Zoals ik af en toe wel eens doe, opende ik de website van de plaatselijke begrafenisondernemer om te zien of er onlangs mensen waren gestorven die ik kende.
Ik klikte op de pagina ‘familieberichten’ en bovenaan floepten plots een naam en foto (of een foto en naam – ik herinner me vandaag, een dag later, niet in welke volgorde) tevoorschijn die ergens in mijn hersenen een connectie teweegbrachten. Een herkenning die enkele seconden weigerde haar betekenis prijs te geven, want soms heeft de waarheid tijd nodig.

Toen dan toch doordrong dat jij daar stond, jouw foto, jouw naam, jouw geboortedatum, zakte de eerste lepel muesli die net op weg was naar mijn mond, langzaam terug in de kom. Mijn ogen werden groot, een hand bedekte een mond, mijn hersenen probeerden te vatten wat ik daar zag.
De tweede datum, die met een kruisje voor, verwees naar maandag. Jij was al twee dagen weg zonder dat ik dat wist.
Hoe zag mijn leven er maandag uit, schoot door mijn hoofd. Ik wist het niet meer, kon niet meer nadenken. Mijn agenda die naast me op de tafel lag vertelde me dat ik ‘s ochtends had gelopen. Vijf maal vijf minuten. Had de zon geschenen? Regende het? Ik herinnerde het me niet meer. Om 16u, het openingsuur, was ik naar de bibliotheek gefietst om een nieuw boek voor de leeskring af te halen, ‘Mijn kleine oorlog’ van Louis Paul Boon. Was jij er al niet meer toen de vrouw achter de balie het uit de kast haalde en mij een blad liet ondertekenen?

Ik zette de cursor op je foto, er verscheen een rood kadertje met ‘bewaren’, maar ik klikte ernaast, op je adamsappel. En op de volgende pagina nog eens op het zwarte vakje ‘rouwbrief’. Dit melden u. Mijn, onze, dochters naam. Die van haar halfzus. Je vader met een kruisje. Je moeder. Crematie en afscheid in intieme kring.
Onder je foto (een beetje spottende ogen, verbeten trekje om de linkermondhoek – zo te zien een verplicht bezoekje aan de fotograaf voor een nieuwe identiteitskaart), een gedicht dat beweert dat je van het leven hield.
Ik begon te beven, mijn ontbijt stond daar onaangeroerd, de yoghurt plopte zacht tegen de havervlokken.

D kwam zijn werkkamer uit om koffie te maken, ik zei (ook al klonk het als een vraag): K is dood. Even wou ook hij niet begrijpen over welke K ik het had. Alsof het er andere hadden kunnen zijn.
Maar hoe dan, vroegen we ons af. Was je ziek? Was je lichaam op? Was je het beu? We wisten het niet, er waren zoveel mogelijkheden.
Het was, voor ons beiden, raar om geschokt te zijn over iemand die ons zoveel in de weg heeft gelegd, die zoveel leed heeft veroorzaakt. Iemand voor wie we zo lang verzachtende omstandigheden zochten. Je kon er niet aan doen, je was ziek, je was dezelfde niet meer.
Ik begon opnieuw te beven, en huilde: hij was een klootzak, maar ooit was hij een lieve, zorgzame, beschermende man, die mij redde uit een ellendige situatie, en mij met veel liefde en geduld begeleidde bij mijn straatvrees. D knikte, begreep me, ook al heeft hij je zelf niet in die eerdere periode gekend.

Achteraan in een kast boven vond ik een rechthoekige blikken doos, die ik al die jaren ongeopend bewaar. Ooit zaten er Quality Street-snoepjes in, daarna bewaarde ik er je kleine briefjes met lieve woorden en tekeningetjes en kaartjes die aan bloemenruikers waren bevestigd in. Buiten wat foto’s zijn dit de enige tastbare herinneringen die ik heb aan hoe je was voordat je ziek werd.
Nu, na je dood, wou ik alles nog eens bekijken. Ik toonde de kaartjes en briefjes ook aan D, want zijn beeld van jou is helemaal gekleurd door de laatste jaren, tijdens welke ik jou zelfs niet meer herkende. De briefjes brachten ook andere herinneringen naar boven, dingen die ik allang was vergeten. Wou vergeten soms. Hoe je me plaagde met mijn voeten, die je op ‘eendenplakjes’ vond lijken. Of hoe je in de zomer, als het warm was, vaak smileys op de onderkant van mijn tenen tekende.

 

 

Tot enkele jaren geleden was ik er nog altijd voor je, ook al was dat soms moeilijk en vermoeiend. Je hing uren aan de telefoon en wou dan herinneringen ophalen aan vroeger. Soms klonk je verward, door de medicijnen. Je herhaalde tijdens één gesprek dezelfde dingen tot twee keer toe, en dan deed ik alsof je ze voor het eerst zei. Je herinnerde je dingen verkeerd, maar was altijd zo overtuigd. Ook afscheid van je nemen was niet makkelijk, want dan reageerde je vaak gekwetst, zelfs al hadden we meer dan anderhalf uur gepraat. Soms zei je, onbedoeld, dingen die mij kwetsten, maar dat probeerde ik naast me neer te leggen. Je ziekte dekte alles toe.

Dat begon al toen je mij een half jaar na de geboorte van onze dochter verliet voor een andere vrouw, die je net had leren kennen. Ook al begreep ik toen nog niet wat er aan de hand was, en zou het nog tien jaar duren vooraleer jij een diagnose, en ik antwoorden kreeg. Op de dag dat je aankondigde dat je wegging, werd je een ander. Ik was de K die ik tien jaar had gekend en zo graag had gezien kwijt. Er kwam een waas voor je ogen, en dat is niet meer weggegaan. Zelfs fysiek begon je aan een zodanige metamorfose, dat mensen je de laatste jaren nauwelijks nog herkenden.

Ons laatste telefoongesprek was na de zelfmoord van je vriend. Toen onze dochter mij erover vertelde, belde ik je meteen op. Je leek oké, praatte vlot die keer, bedankte me voor de bezorgdheid.
Daarna gebeurden er dingen die D en ik niet begrepen, en die we ook maar aan je ziekte weten. Borderline was het antwoord op alles.
Ik voelde me zo machteloos, wou onze dochter beschermen maar vond nergens hulp. We waren in een draaikolk terechtgekomen waar niet meer uit te ontsnappen viel.
Het werd stil tussen ons, en je sleurde onze dochter mee. Je dochter die alles in de waagschaal stelde om jou te laten overleven. Tot haar eigen leven toe.

De laatste keer dat ik je zag en hoorde, was een jaar of twee, drie geleden. Ik zou iets gaan drinken met onze dochter, en tot mijn verbazing kwam je met haar mee. Al van ver zag ik jullie naderen. Voetje voor voetje schuifelde je als een hoogbejaarde man over de straatstenen, zwaar leunend op de schouder van je kind. Qua symboliek kon dat tellen. Ook al verwachtte ik je dood al jaren, toen heb ik gedacht: nu is het echt bijna zover. Je benaderde me als een vijand, en onze dochter kon niet anders dan je ook daarin steunen. Ik stapte met lood in de schoenen met jullie de brasserie binnen, we schoven aan een tafel, mijn dochter beet en liep meteen weer weg. Ik bleef achter met jou.
Ik stond op en zei stil: ‘Ik ken je niet meer.’ Jij antwoordde: ‘Ik jou ook niet meer.’
Dat waren de laatste woorden die we tegen elkaar spraken.

En nu ben je dus weg. Dan toch nog, nadat je tien jaar geleden al eens probeerde. En ook al stierf mijn man twintig jaar geleden al en heb ik toen afscheid genomen, het verdriet en de rouw en het aanvaarden achter de rug, vervolgens de boosheid en uiteindelijk zover gedreven dat er nog louter onverschilligheid overbleef, toch heb ik gisteren gebeefd. Gebeefd omwille van de K van voorheen, die inderdaad – toen nog wel – van het leven hield. Die nog niet zijn eigen ergste vijand was.
Omdat geen mens beoordeeld moet worden op zijn ellende, noch op krachten die hem te boven gaan, wil ik de K zoals ik hem leerde kennen, kwetsbaar en mooi, wijs en moedig, nog een laatste keer omhelzen en zeggen: bedankt. En als er een hiernamaals is, dan hoop ik dat ze er Kinder Surprise eitjes hebben.

Toen ik vanochtend door de motregen rende, twee maal tien minuten, verbaasde ik me er plots over hoe ver levens die eens zo verbonden waren, uiteindelijk uit elkaar kunnen lopen. Terwijl jij nèt 48 mocht worden met een lichaam dat al enkele decennia zijn noodlottige koers had bepaald en nu ergens stil in een mortuarium ligt, voel ik me jonger en levendiger dan ooit.

 

(foto: Sorrento 1991)