Selecteer een pagina

Wat is er aan de hand met facebook de laatste dagen? Is het de opgekropte stress rond corona die zich, nu we op dat gebied even voorzichtig adem kunnen halen, naar buiten wringt? Of zit het dieper, is het een reactie op alles wat de laatste jaren misliep en nog steeds -loopt? Zelfs het klimaat, nochtans niet minder dringend dan de rest, werd even on hold gezet. Toch zolang er water uit de kranen blijft stromen.
Ik zag gekibbel over de maatregelen, over de economie, over racisme en standbeelden, over de betogingen. Over dat laatste voelde ook ik me geschokt toen ik in het journaal beelden zag van een op elkaar gepakte massa, op een zo kritiek moment, en nadat we zoveel inspanningen hadden gedaan en het virus zoveel slachtoffers had geëist. Ook al begrijp ik de noodzaak om op te komen tegen racisme, toch kon ik er niet bij dat men kan roepen dat het leven van de ene telt, en tezelfdertijd het leven van de andere in gevaar brengen. Van de personen naast je in de betoging, en de dagen daarop in de nieuwe bubbels van tien. Misschien speelt het feit dat ik van nabij zag wat het virus kan aanrichten, mee. Dat deelde ik op facebook. Er kwam alleen maar instemming op die post, maar plots las ik her en der steeds bitsigere statussen, soms van mensen die ik altijd als ruimdenkend en menslievend had gezien, maar die nu venijnig en zelfs dreigend uit de hoek kwamen. ‘Als ik nog één keer bij iemand ‘all lives matter’ zie, dan …’ Er werd geschreven dat wie ‘tegen de betogingen was, de angst voor corona misbruikte’. Ik dacht: nog even en je wordt een racist genoemd, gewoon omdat je bezorgd of zelfs bang bent. En ja, daar was al iemand die beweerde dat je niet tegen racisme kunt zijn, en tegelijk vooral blanke facebookvrienden hebben.
Ik schrok echt van sommige mensen, en dacht: ja, alweer zie ik bevestigd dat de grootste roepers om vrede, gelijkheid, ruimdenkendheid enzovoort, soms het gemeenst uit de hoek kunnen komen. Ook al werd ik zelf nergens beschuldigd of aangesproken op mijn status, toch overwoog ik hem weg te halen. Ik had geen zin in dit gedoe, de laatste maanden waren al heftig genoeg geweest – voor iedereen. Ook dacht ik eraan facebook een tijdje te verlaten, tot de rust zou zijn teruggekeerd. Ik weiger me een slecht gevoel te laten aanpraten voor hoe ik iets aanvoel, of me daarop te laten beoordelen als mens. En toen las ik van iemand een meewarige reactie op degenen die zeiden: ik neem even een pauze hier. Zelfs dat mocht niet meer. Uiteindelijk verwijderde ik mijn bericht, en wou dat ook doen met de grappige reactie van Van Ranst op Ampe die ik enkele dagen daarvoor had gedeeld, want ook daar waren discussies ontstaan, genre ‘die klojo’ mocht haar geen ‘aandachtshoer’ noemen. Op dat moment waren zelfs twee van mijn vrienden onder die post met elkaar aan het ruziën over wat Van Ranst wel en niet zou mogen doen. Maar toen dacht ik: jullie bekijken het maar, ik lees het niet eens meer, ik trek me terug, in stilte, zodat niemand ook dààrop commentaar kan hebben.
Toen ik enkele dagen later een foto postte met een grappige woordspeling op een bestelwagen van een aannemer in betonwerken die voor ons huis stond geparkeerd, zette ik me al schrap voor commentaren op dat beton en het milieu en blablabla (terwijl we net veel verharding hebben weggehaald, dacht ik al ter verdediging), of dat ik alleen maar met mezelf bezig was of weet ik veel wat nog, want vitters vinden altijd wel wat. Maar nee, alleen maar smileys. Misschien ben ik niet de enige die genoeg heeft van de giftige sfeer.

In een plaatselijk krantje las ik vorige week toevallig dat de graven van mijn beide grootouders langs vaderskant volgend jaar zullen worden ontruimd. Ontruimd. Het doet denken aan afval. Iets wat moet worden opgeruimd. Je kan ook, zo stond er, ‘een ontgraving aanvragen voor de ontruiming plaatsvindt’ (620 euro, plus crematiekosten). Euh, als er ook een ‘ontgraving’ bestaat, wat moet ik me dan bij die ‘ontruiming’ voorstellen? Ik wil het eigenlijk niet weten …
Ze liggen er 33 en 32 jaar, onder zware, identieke zerken, met zeven graven en evenveel maanden verdriet tussen hen in.
Ik ben het ermee eens dat dat lang is, en ook lang genoeg om plaats te mogen maken; ik ben sowieso geen fan van een heel lichaam begraven, het innemen van zoveel plaats voor iemand die er niet meer is. Maar toch deed het me wat, om die aankondiging daar zo kil en onverwacht in dat blaadje te zien staan.
Sinds ik terug in mijn geboorteplaats woon, bezoek ik af en toe de graven, en ook al doe ik daar niet veel, toch zal ik dat missen. Misschien was het makkelijker geweest als ze meteen waren gecremeerd en uitgestrooid. Na het lezen van die aankondiging, ontstaat in mij de wens om aanwezig te zijn bij de ontruiming, als een laatste keer van nabij-zijn, maar misschien is dat raar?
Ik trek mijn wandelschoenen aan en stap naar het kerkhof, een mooie wandeling van een twintigtal minuten. Mijn grootouders zijn lang niet de enigen die plaats moeten ruimen. Rondom hen werd een zee van witte, zakelijke bordjes in de grond geklopt. Tweehonderdveertig in het totaal.
Ik heb nog een jaar de tijd om hier langs te komen en boven het roze bloemetjesslaapkleed en de paternoster tussen de vingerbotjes te staan. Hun namen zo definitief gebeiteld te lezen. Ik neem van elk van de graven een foto, als toekomstige herinnering aan een herinnering.
Op mijn wandeling huiswaarts kom ik langs het huis waar ze woonden, en dat mij nog heeft gekend als kind. Daar, achter dàt raam, werd ik platgeknepen in omhelzingen.