Selecteer een pagina

Nu het minder warm is, kan ik weer ademen. Wanneer ik ‘s ochtends door de straten in de buurt wandel, ruik ik de hele tijd een zoete geur, verspreid door kleine witte bloemetjes op hagen langs de weg. Ook de naaktslakken gaan massaal op wandel deze dagen. Ik moet opletten waar ik mijn voeten plaats. Soms regent het zo licht, dat het aanvoelt als een verneveling op mijn gezicht.

Ik wandel langs Lily’s huis. Ze klopt op het raam, doet teken. Ik sla het pad naar haar voordeur, die eigenlijk een zijdeur is, in, de deur gaat open. Sinds enkele weken is Lily weduwe. Ze vraagt of ik een herdenkingsprentje wil.
Ik ken Lily nog niet lang, maar ook een beetje van vroeger. Ze is de moeder van een klasgenootje uit het lager onderwijs. Ik kwam wel eens in dit huis voor een verjaardagsfeestje. Ik herinner me veel chips, taart, cake, pannenkoeken, buikpijn.
Een half jaar geleden ontmoetten we elkaar na al die jaren, ze herkende me, moest even naar mijn naam zoeken. Ze vertelde over haar zieke man. Daarna zagen we elkaar nog een paar keer bij toeval, babbelden dan even. Op paasdag vond ik haar ontredderd op straat in onze buurt, en toen zijn we samen gaan wandelen. Ik kan fijn praten met Lily. Het is een warme, gevoelige vrouw die niet klaagt. Open. En een beetje eenzaam.
Ze zegt dat haar straat zo druk is geworden. En ook de hoofden van de kinderen. Vroeger kon haar zoon nog op straat spelen, nu blijven de kinderen binnen. Te gevaarlijk.
Over de stenen treden naar de deur kruipen drie behaarde rupsen. En nog een vierde. En een vijfde. ‘Dat zullen toch geen eikenprocessierupsen zijn?’ vraagt Lily zich een beetje bezorgd af. Ik zeg dat ik denk dat die alleen in bomen zitten, en ook langere haren hebben. Ze staat er alleen voor nu, voor zowat alles. Het grote huis, de grote tuin. En ook voor de rupsen. Met de tip van haar slipper duwt ze een rups voorzichtig de trap af. Langs de zijkant zie ik alweer twee andere naar boven klimmen.

‘s Nachts in bed rond een uur of drie, wanneer alles onoverkomelijker lijkt, moet ik denken aan de parasol en parasolvoeten in ons tuinhuis. Zaterdag hebben we een nieuwe parasol gekocht, mèt voet op wieltjes, omwille van de wieltjes. Ons ‘oude’ exemplaar, dat helemaal niet oud is, heeft een eraan vastgemaakte voet, waarop vier zware stenen dienen te worden gelegd. We hadden al gemerkt dat die stenen een ramp zijn voor het terras waarop ze een hele zomer rusten, en nu we vorig jaar onze tuin hebben laten heraanleggen en daarbij ook de terrastegels werden vervangen door fragielere gepolierde beton, willen we die niet verknoeien met vlekken die er niet meer uitgaan. Vandaar de aankoop van een nieuwe parasolvoet. Met parasol.
In bed zie ik dus die nutteloos geworden reusachtige parasol voor me, rustend in een tuinhuishoek, en de vier ontzettend zware stenen die er moeten voor zorgen dat hij rechtop blijft staan. En hadden we niet ook nog vier andere van die stenen, iets kleiner, die onbruikbaar waren geworden omdat één ervan gebarsten was? Dat zijn een hoop onhandelbare dingen waar ik mooi mee achterblijf mocht mijn man morgen het loodje leggen. Wel wat anders dan een paar rupsen.
Ik probeer niet te denken aan òns grote huis en tuin, en alle gebieden waarop ik hulpeloos zou worden als weduwe, en zet snel een sleepcast op.
De volgende ochtend lach ik erover met mijn man.

Op tv zie ik een jongen, begin twintig, die zegt dat hij alweer een klaplong had. De vierde. Bij het koddige woord ‘klaplong’ stel ik me iets voor als een ontploffende ballon, maar de jongen legt uit dat er helemaal niets klapt, maar ‘gewoon’ een benauwd gevoel optreedt. Zijn rechteroog is bij de uiterste punt een beetje naar beneden gezakt, valt me op, en zijn wang hangt er wat slapjes bij. Ik durf erom te wedden dat het om zijn rechterlong gaat.
Ooit had ik een shiatsulerares die beweerde dat iemands innerlijke gesteldheid vaak af te lezen valt aan uiterlijke tekenen. Een zakkende mondhoek had te maken, als ik het me goed herinner, met een minder goed functionerende eierstok aan die kant. Verticale rimpeltjes boven de bovenlip duidden op maagproblemen, alsook spuwen tijdens het praten, en donkere kringen rond de ogen verraadden een nierprobleem. Kleine bobbeltjes boven de binnenste ooghoeken wezen dan weer op een leverziekte, en couperose op de wangen was een onmiskenbare verrader van slecht functionerende longen. Jaren nadat ik mijn opleiding had afgerond, zag ik haar toevallig op tv. Daar legde ze uit hoe je aan de plooien in een shirt en hoe het om het lichaam valt, kan aflezen welke organen het moeilijk hebben.

Ik lees een roman over een jonge vrouw die ongewild de dood van haar vriend veroorzaakt, wanneer hij verongelukt doordat hij haar te hulp schiet, omdat zij zich in de problemen heeft gewerkt. En dan met een enorm schuldgevoel achterblijft.
Mijn man komt zijn bureau uit, zijn werkdag zit erop. Hij gaat nog even wandelen vòòr zijn avondboterhammen, en zal onderweg het brood kopen dat ik eerder vergeten ben. Daarvoor moet hij langs een iets drukkere weg dan zijn gewoonlijke wandelroute. Het drama uit het boek flitst door mijn hoofd. Ik vertel hem erover, zeg: ‘Oppassen, hè! Laat me hier niet achter met al die parasolvoeten.’ We lachen.