Selecteer een pagina

Het is lente en de kerkhoven in de buurt worden omgespit. Waar anders zoveel rust heerst, zetten nu grote oranje monsters hun tanden in tientallen zerken. Her en der werd een enkel graf ongemoeid gelaten, de aarde rondom mooi ge√ęgaliseerd. Een zerk in een woestijn.
Ik volg het bemoste pad dat doorheen de strooiweide loopt. Het gras ligt vol been. Een bloemstuk hier en daar. Ik verbaas me over de grote hopen witte korrels, als fijngemalen grind. Het kind in mij zou het tussen de vingers willen voelen; de volwassene loopt eerbiedig door.
Middels de metalen plaatjes op de zuil in het midden, puzzel ik een hele familie samen. Een schoonfamilie, ooit. Bijna een jaar na je weggaan ontdek ik waar je gebleven bent, je ligt nu op je vader.
Ook al waren wij geen vrienden meer, de tijd tussen je twee data is te kort. Veel te kort. En toch ben ik opgelucht dat je geen kwaad meer kan doen. Je had je leven opgebruikt.
Tot hier hoor ik de monsters brommen. Ze graven en eten, spuwen alles weer uit.

Op mijn wandeling naar huis wordt het weer lente. Ik loop onder de rij bomen die roze staan te bloesemen. Ze sneeuwen een beetje. Ik moet uitkijken waar ik mijn voeten zet, want op het pad liggen nieuwe hondendrollen, alweer. Naast het pad, in de frisgroene struiken: grote plastic zakken en flessen, colablikken, een kapotte paraplu. Sommige mensen verdragen geen schoonheid.
Bij het huis van Elly hou ik me klaar om te wuiven, maar ze staat niet achter het raam. Ik hoop dat het goed met haar gaat. (Ze is zo eenzaam. Zo sterk.) Een oude man fietst voorbij en roept goedemorgen vanachter zijn mondmasker. Zijn ogen komen net boven de rand.
Ik denk aan hoe mijn vader plots over zijn jeugd wil vertellen, en hoe ik van die verhalen geniet. Hoe ik hem nu pas leer kennen, aan het einde. De dringendheid die ik voel. Nooit kan alles nog worden gezegd. Zijn stem kraakt elke keer wat harder, maar in zijn ogen zie ik de kleine jongen.
Gisteren vertelde hij over hoe zijn vader, mijn grootvader, bijna is ontploft. Tijdens zijn legerdienst moest hij een schip op, maar net voordat hij zou opstappen, was het schip vol, en dus bleef hij aan de kant. Niet lang nadat het schip was uitgevaren, ontplofte het. Mijn grootvader zag zijn kameraden door de lucht vliegen, verdrinken. En op dat moment in het verhaal kreeg hij het steeds zo moeilijk dat hij moest stoppen met vertellen. Niemand weet hoe het afliep.
Ik stap voorbij de lege vijver, de weide met paarden, het rijtje nieuwbouwhuizen. Een voorzichtige bloemengeur prikkelt mijn neus. De forsythia knalt geel uit de knoppen.