Selecteer een pagina

Vrijdagavond was ik aanwezig bij een boekvoorstelling in Brugge. Lara Taveirne vierde daar haar roman ‘Kerkhofblommenstraat’ in een prachtige kloostertuin, op een uitzonderlijk warme oktoberavond.
Brugge is ver, twee uur treinen. Maar toen ik een tijd geleden Lara’s uitnodiging ontving, heb ik vrij impulsief beslist om er toch naartoe te gaan. Omdat ik Lara graag mag, en haar boeken ook.
Omdat ik wist dat mijn goede vriend S, die dan weer goed bevriend is met Lara, er ook naartoe zou gaan, stelde ik hem voor om die nacht in Brugge een kamer te delen in een B&B. Hij vroeg me al zo lang wanneer ik nog eens bij hem zou blijven overnachten, maar ik zie daar dan zo tegenop met mijn moeilijke slapen dat ik altijd maar nee zeg. Dit was dus de perfecte gelegenheid.
Ik prijs mezelf gelukkig met een man die zo’n vertrouwen in mij heeft, dat hij er geen probleem mee heeft dat ik een bed deel met mijn beste vriend.

Omdat S pas na zijn werk naar Brugge zou komen, en er in de B&B moest worden ingecheckt tussen twee en vier, stapte ik ‘s middags al op de trein. Toen ik op het perron stond te wachten onder een heerlijke zon, meende ik opeens mijn ex-man te zien aan de overkant. Hij zette zich neer op een bank, net buiten de stationsomheining. Ik keek even weg, toen weer naar de bank, maar daar zat niemand meer. Ook in de buurt van de bank was geen ex meer te bespeuren. Ik begreep het niet. Was hij op de bank, die met de rugleuning naar me toe stond, gaan liggen? Mijn trein kwam eraan, ik stapte in.
(Enkele nachten later zou ik dromen dat ik een trui van die ex vond, waaruit hij verdwenen was – net zoals hij al vele jaren uit mijn leven is verdwenen, en in de halsopening ontdekte ik een etiket met daarop de woorden: ‘handle me with care’.)
De trein liep vast in Lokeren. Een reiziger in het laatste rijtuig was onwel geworden, zo werd omgeroepen, en het was wachten op een ambulance. Ik begon weer te denken: ik trek het aan, zulke dingen.
Ik sms’te mijn man: kunnen ze die persoon dan niet uit de trein halen?, en schaamde me meteen.

De laatste tijd lijkt het alsof mijn hoofd te moe is, te warrig, te vol zit met dingen, om nog helder te kunnen nadenken. Ik denk aan iets wat ik niet mag vergeten, of wat ik dadelijk moet doen of zeggen, en floep, het is weg. Ik herlees een woord dat ik zonet getypt heb, denk even dat er een letter te weinig staat, maar nee, ze staat er toch. En om hoe laat moest ik ook alweer naar de yogales vanavond? Wéér vergeten, ook al heb ik er vandaag al drie keer naar gekeken in mijn agenda en begint de les elke week op hetzelfde uur. En waar heb ik dat wachtwoord nu toch opgeschreven? Hèb ik het wel opgeschreven? En B, die aan mijn website werkt, legt me, met eindeloos geduld, een kwestie voor die me te ingewikkeld is, en ik sla tilt en moet tegen mijn tranen vechten.
Het is dat verstoorde slaappatroon, dat nu al zo lang aanhoudt, in combinatie met de stress van de laatste tijd, maar toch vind ik het verontrustend. Alsof er een afstand is tussen mezelf.
Toevallig, of net niet, las ik in de trein naar Brugge ‘Planeet Paranoia’, dat gaat over de drukke wereld waarin we vandaag leven, en dat veel mensen het moeilijk hebben om dat allemaal te behappen.

Terug naar die treinrit. Met een half uur vertraging kwamen we in Brugge aan. Tot mijn verbazing vond ik de B&B, middenin het centrum, vrij makkelijk. Bij het betreden van het gebouw was ik meteen blij dat ik mezelf wat luxe had toegestaan. S is het jeugdherbergtype, maar ik had toch aangedrongen op een slaapplaats waar mijn rust enigszins verzekerd zou zijn. Een comfortabele kamer, een goed bed, dikke muren.
Ik zakte weg in de somptueuze zetel in het salon op het gelijkvloers met een kop thee ter verwelkoming, liet me even verwennen door de vriendelijke gastvrouw.
Nadat ik me had opgefrist op de kamer, trok ik de stad in. Ik had nog wel even voordat S zou arriveren, en in mijn eentje verkennen vind ik zalig.

De boekvoorstelling was uniek, mede dankzij de omgeving. De kloostertuin met kleurlampen die de boomblaadjes in roze en paars en blauw en groen hulden. De mooi gedekte tafeltjes met vrolijke bloemetjeslakens. De dauw op het donkere gras. De kaarsen langs het pad. De omlaag hangende rozen aan de inkompoort. En zoveel mensen.
Ik herkende enkele mensen van hun foto’s op facebook. Stapte naar T en daarna naar E, en die stelde me dan weer voor aan J, en buiten op de trap op weg naar de signeersessie in het klooster raakte ik ook nog even aan de praat met twee mij onbekende vrouwen die ook elkaar niet leken te kennen, en dat ging helemaal vanzelf. Ooit was het anders en had ik het niet aangedurfd om met mijn onvermogen tot smalltalk naar halve vreemden toe te stappen. Enfin, het lukt mij wel, die smalltalk, maar ik vind het toch zo vermoeiend en geforceerd allemaal. Ik kom in gesprekken dan ook meestal snel op een dieper niveau terecht, en lukt dat niet, dan is die persoon niet iemand voor mij.
Op het einde van de avond stond ik in de inmiddels donkere tuin met S te praten, en plots kwam er een vrouw naar ons toe en zij bekeek mij even, gaf haar mening over het een of ander, en posteerde zich toen tussen S en mij, haar rug naar mij gericht. Toen ik over haar schouder heen afscheid nam van S – ik zou al naar ons logeeradres gaan, keek ze niet eens om.
Later op de kamer vroeg ik S: wie was die blonde vrouw? O, dat was B, zei hij. Zij kende hem van facebook en wou hem eens ontmoeten daar, had ze op voorhand laten weten.
Wat vond je van haar? vroeg ik.
Eerst een beetje raar, maar uiteindelijk wel sympathiek, zei hij.
Ik vroeg of hij dan niet had gezien hoe ze met haar rug naar mij was gaan staan. Nee, dat had hij niet opgemerkt.
Jij vond haar dus niet zo sympathiek? gokte hij, en we schoten in de lach.
S legde zich neer, sloot zijn ogen en begon meteen te ademen als een slapende. Ik begon in ‘Kerkhofblommenstraat’ te lezen en vroeg mij af wanneer het beste moment zou zijn om mezelf (hopelijk) knock-out te slaan met een halve slaappil, een dosis waar ik me nog niet eerder aan waagde. Dat moment was nog niet aangebroken, want ik was nog te gespannen (angst om niet te kunnen slapen) en er ging nog te veel in mijn hoofd om, en dan zou die pil niet werken, wist ik uit ervaring.

De volgende ochtend bestond uit een overhaaste tocht naar het station. Een bus die niet kwam opdagen, een buschauffeur aan een andere halte (waar we snel naartoe gerend waren) die de deuren voor onze neus sloot maar ze dan toch weer opende, en die niet reageerde op mijn hijgende ‘bedankt’. Een trein die maar net werd gehaald (de volgende zou twee uur wachten betekend hebben). Gelukkig een bijna lege wagon.
S, die tegenover me zat, vroeg of ik het oké vond dat hij even zijn ogen zou sluiten, want hij was zo moe van die korte nacht. Geen probleem, hoor, zei ik, en nam ‘Planeet Paranoia’ uit mijn tas.
Toen hij tien minuten later zijn ogen weer opende en zuchtte: ‘Dat dutje heeft me goedgedaan, nu voel ik me weer helemaal beter. Ja, sorry, ik ben dat niet gewend, maar acht uur slapen’, kon ik het niet helpen wrevel te voelen opkomen.