Selecteer een pagina

Late ochtend, een zonovergoten perron. Ik kan me niet herinneren hoe lang het geleden is dat ik me nog zo thuis voelde in mijn lichaam, in het leven. Ik voel me eens niet opgejaagd, maar rustig. Tot stilstand gekomen in mezelf. Ik stap op de trein richting Antwerpen, waar ik heb afgesproken met iemand die iets met mijn teksten wil doen.

Vannacht was anders. Ook al slaap ik de laatste weken goed, val ik bij wijze van spreken in slaap voordat mijn hoofd het kussen raakt, toch is er nog die nervositeit om niet te zullen slapen wanneer er de volgende dag iets te gebeuren staat. Zoals een uitstap naar Antwerpen voor een afspraak met een onbekende. Daarom nam ik al maar meteen een stukje slaappil. Liever zo dan om drie uur wakker worden en niet meer kunnen slapen tot een half uur voordat de wekker gaat.
De pil werkte, daarover is geen twijfel. Ik werd duizelig, suf, legde mijn boek weg, knipte het licht uit. Om vervolgens een half uur, een uur, anderhalf uur de pil te voelen werken, zonder te doen waarvoor ze dient. Me laten inslapen dus. Om in het schildersjargon van de voorbije weken te blijven: het leek alsof mijn lichaam een laag primer miste waar de slaap zich aan kon hechten. In mijn hoofd voelde het onaangenaam in die doorwaakte duizeligheid. Alsof ik gevangen zat in de werking van die pil, en daarmee ook in mezelf.
Na twee uur wakker liggen, raakte ik een beetje in paniek en nam ik, snel, voor ik me kon bedenken, nog een stukje slaappil bij. Een half uur later was ik weg.

In het statige stationsbuffet zit S aan een tafeltje op me te wachten. Zijn hand voelt een beetje zweterig aan.
Hij zit op de bank tegen de muur, dus neem ik plaats op de stoel tegenover hem. Iedereen weet dat vrouwen het liefst op de bank zitten, met een overzicht over de hele zaal. Nu moet ik me behelpen met de grote wandspiegel achter S. Misschien vraagt hij zich af waarom ik af en toe over zijn schouder heen kijk. Ook al vertelt hij boeiend, ik kan het niet helpen dat mijn ogen naar elke beweging in de spiegel worden getrokken. De vrouwen in kleurrijke zomerjurken, de oudere man die me aan iemand doet denken, de ons stug negerende ober naar wie S af en toe tevergeefs zijn hand opsteekt. Zonder de spiegel had ik gedacht dat hij hier veel mensen kent.
Ik voel me meteen vertrouwd bij hem. Hij durft zich tonen, en zelf doe ik dat ook. Wij zijn niet bang voor elkaar, niet bang van zware woorden. Ik vertel hem dat ik schrijf over mijn ontmoetingen, over de ander. En hoe moeilijk dat vaak is. Hij knikt, moedigt me aan een heel boek te schrijven over de vuile verstandhoudingen tussen mensen. Onder een pseudoniem. Eens goed de rotzak zijn.
Ik zeg: daar ligt mijn weerstand net. Ik wil geen rotzak zijn. Ik bèn geen rotzak. Meer nog: mijn hele leven is misschien wel bedoeld als een bewijs dat ik geen rotzak ben.
Hij vraagt of ik al heb gedacht aan vloggen. Hij toont me een vlog van Simon Carmiggelt op zijn smartphone. Ik zeg: ik ben daarvoor te flets. Hij ontkent het niet.

Na twee uur nemen we afscheid. Wanneer hij opstaat van zijn bank, valt me op dat hij groter is dan ik had verwacht. Hij vraagt nog: ga je schrijven straks? Ik antwoord: nee, daarvoor zit mijn hoofd te vol nu.
We gaan elk een andere richting uit, zoals dat vaak gebeurt in stations.

Het is half een. Ik moet nog even wachten op een trein naar huis, dus besluit in de buurt een gezond broodje te gaan eten.
In de zaak hangt een rustige, ontspannen sfeer. Nogal wat mensen tokkelen op hun laptop; ik beantwoord tijdens het eten wat mails op mijn smartphone met één vinger. Ik voel me nog steeds goed, helemaal thuis bij mezelf. Ik denk: misschien is dit hoe mensen die in een waas van ongemak leven zich voelen als ze Xanax nemen. Ik las daar eens iets over in een interview met Lieven Scheire. Hij had jarenlang last van angsten, straatvrees zelfs, en kreeg toen Xanax voorgeschreven maar was bang om het te nemen. Toen hij eindelijk zijn moed bij elkaar had geraapt, en in de veilige omgeving van zijn huis zo’n tabletje uitprobeerde, kreeg hij de verheugde maar tegelijk ook een beetje verontrustende gedachte: dus zò voelen normale mensen zich. Verontrustend omdat hij besefte hoe gevaarlijk die Xanax was voor verslaving.
Wanneer ik besluit op te stappen, staat de vrouw aan het tafeltje naast mij op en vraagt me: mevrouw? Zou u even op mijn laptop en tas willen letten terwijl ik naar het toilet ga?
Dat doe ik met plezier. Ik heb nog wel wat tijd.
Wanneer ze terugkomt, bedankt ze me en pakt haar spullen bij elkaar. Ik wil ook nog even naar het toilet, maar tot mijn verbazing dient aan de toiletdeur een code ingegeven te worden. Die zou volgens de mededeling op de deur op het kassaticket staan, maar ik heb geen ticket gekregen.
Ik ga de code aan de kassa vragen, en wanneer ik terug richting toilet stap, kom ik de vrouw tegen op wier spullen ik zo-even heb gelet. Ik glimlach naar haar, maar zij herkent me duidelijk niet en glimlacht niet terug. Ze heeft niet gezien aan wie ze hulp vroeg. Ik was niet méér dan handig voor haar, en nu ben ik een wildvreemde mens.