Selecteer een pagina

Wie mij hier vorige zomer al volgde, zal zich misschien wel herinneren dat ik niet goed tegen extreem hoge temperaturen kan. Ook al hebben we enkele weken geleden alweer een hitterecord verbroken (en hoe!), toch heb ik het gevoel dat ik het vorige zomer lastiger had. Ik ga uiteraard niet wandelen of fietsen bij 40 graden Celsius (en ook niet bij 35°), nee, als het kan verschans ik me in ons door airco verkoelde huis, maar dat die waanzinnig hoge temperaturen zich ditmaal niet uitstrekten over weken en weken, hielp. En dat ik ‘s nachts niet wakker hoefde te liggen van een dikke, misselijkmakend zwoele lucht, zal ook wel meegespeeld hebben.

Vorige zondag was de temperatuur weliswaar hoog, maar draaglijk. Mijn man en ik besloten om een fietstocht te gaan maken, zoals we twee weken geleden ook al hadden gedaan. Daarvoor maken we graag gebruik van een fietsknooppuntroute. Mijn man stippelt die dan uit, en roept me onderweg getallen toe.
Zondag waren we zo’n tien minuten onderweg, toen hij ontdekte dat hij ons de verkeerde richting had uitgestuurd. We moesten terug. Toen we ons huis even later weer passeerden, dacht ik: pff, het is me toch wel wat tè warm om een dertigtal kilometer te gaan fietsen. Maar ik zette door. We moesten een tunnel onder een spoorweg door, in de tunnel was het even lekker koel, maar naar boven fietsen, daar waagde ik me niet aan. Ik duwde mijn fiets dus de helling op, en boven aangekomen werd het me wat zwart voor de ogen. Ik probeerde gelijkmatig te ademen en stapte weer mijn fiets op. Maar de spikkels gingen niet weg. Ze werden zelfs nog wat groter. Gaat wel over dadelijk, sprak ik mezelf moed in. Het gebeurt wel vaker dat ik me bij vertrek van een fiets- of wandeltocht wat slapjes voel (ik heb een chronische ziekte die daarvoor zorgt), maar daar geraak ik dan meestal wel doorheen door rustig in beweging te blijven. Achter me hoorde ik: hier rechtdoor, hè! Ik knikte, had even niet de energie om iets terug te roepen. De vlekken voor mijn ogen werden met de minuut groter. Ik kon nog naar huis, als ik dat wilde. Maar ik wilde niet. Ik moest en zou die fietstocht afmaken, ik kon dat. En toen ging het snel. Plots zag ik bijna niets meer, op een wazige straat na. Het werd ronduit gevaarlijk om zo verder te fietsen, maar nog steeds wou ik niet toegeven. Ik weet het, ik ben soms hard voor mezelf. Tè hard. Maar opeens moest ik dan toch afstappen. Ik kon niet meer. Ik liet me naast mijn fiets ineenzakken, ging gehurkt zitten met mijn hoofd tussen mijn benen, zodat het bloed weer naar mijn hoofd kon stromen. Het hielp een beetje, maar niet echt. ‘Ik moet naar huis’, gaf ik van tussen mijn knieën toe. ‘Ga even liggen’, zei mijn man. Maar waar kon ik dat doen? Op de straat? Op de graskant waar mensen hun honden uitlaten? Ik wist één ding: ik moet thuis geraken, en wil zo snel mogelijk kunnen gaan liggen. In de koelte (er was daar nergens schaduw), op een zachte zetel. Ik hees mezelf weer op mijn fiets, fietste zo goed als blind enkele tientallen meters verder en ging toen weer gehurkt aan de kant zitten. Ook al waren we niet ver van huis, toch dacht ik: dit haal ik nooit. En we moesten ook die tunnel weer door. Weer dat klimmen. Na enkele stappen gaf ik mijn fiets aan mijn man en hijgde: ik krijg hem niet naar boven, kan jij dat voor me doen? Ik sleepte een lichaam dat aanvoelde alsof het honderd kilo woog de helling op. Het was zo zwaar dat ik mezelf er even van verloste, en als van bovenaf keek naar het hangende hoofd, de spanning in schouders en bovenarmen. Ik begon meer te registreren dan te voelen. Omdat ik al mijn kracht nodig had voor die laatste tientallen meters huiswaarts. En ook toen nog twijfelde ik eraan of ik het zou halen. Toen ik boven aan de tunnel, weer in het zonlicht, even op de grond ging zitten omdat ik geen andere keuze had, hoorde ik in de verte fietsers komen, en ik dacht: ze mogen mij hier niet zo zien zitten, ik schaam me kapot. En hup, daar veerde mijn lichaam recht. ‘Je adem even vasthouden’, zei mijn man. De fietsers passeerden en reden de tunnel in, ik zag ze vanachter mijn zonnebril raar naar me kijken, en zei zo luchtig en er-is-niks-aan-de-hand-hoor mogelijk: ‘Vasthouden, zeg je?’ Alsof mijn man en ik daar gewoon een vrolijk gesprekje voerden. Waar ik dan wel even bij op het asfalt was gaan zitten.
Even later zat ik, quasi niets meer ziend en met een gezicht nat van het zweet, op de dorpel van onze huisdeur, terwijl mijn man naar mijn gevoel ellendig lang naar zijn sleutel zocht. En toen spurtte ik naar de zetel, plofte erin neer, en na enkele seconden platliggen kon ik weer zien.

Eén keer eerder is me dit overkomen. Dat het helemaal zwart werd voor mijn ogen. Ik was een kind op de lagere school en tijdens de middagpauze waren we verstoppertje aan het spelen op de speelplaats. Ik zat gehurkt achter een grote plantenbak toen een klasgenootje per ongeluk achter op mijn enkel trapte, en dat deed pijn. Zoveel pijn dat ik even later allemaal vlekken zag, die steeds meer van de omgeving bedekten. Twee klasgenootjes namen me mee naar de juf die toezicht hield. ‘Ik kan niet meer zien, juf.’ Ze vroeg me of ik moest overgeven. Dat moest ik niet.
De klasgenootjes, ik kan me niet meer herinneren welke, kregen toestemming om mij naar mijn grootouders te brengen, die om de hoek woonden. Ze ondersteunden me elk langs een kant onder een elleboog, terwijl de straat donker onder me heen rolde. Ik was bang, wist niet wat me overkwam. Ik linkte deze toestand ook niet aan de pijn aan mijn enkel, denk ik.
Mijn grootmoeder ving me op, bij haar was ik veilig. Ze begeleidde me naar de donkergele fluwelen zetel, en belde toen mijn moeder op, die thuis was. Die kwam tien minuten later boos de kamer binnen. Ik had me aangesteld (inmiddels waren de vlekken voor mijn ogen verdwenen, al van zodra ik was gaan liggen), en nu zou ik een hele namiddag school missen.
De rest van de namiddag heb ik dan maar thuis in de zetel doorgebracht, ook al voelde ik me weer prima. Maar ik vond niet dat ik kon gaan rondrennen. Ik wou geen aansteller zijn.