Selecteer een pagina

De deurbel gaat, het schemert al en ik heb geen zin om open te doen. Om in de koude te staan en een mens voorzichtig te moeten benaderen. Een mens die ik niet eens verwacht. Pas wanneer de bel een tweede keer gaat, kom ik in actie.
Op vier meter van de deur staat iemand in een dikke jas, onder een grote pluizige pet en achter een stevig mondmasker. Alleen aan de lichaamshouding en ogen herken ik mijn vriendin. Op de dorpel voor mijn in dikke sokken gestoken voeten staat een papieren tasje.
Ze vraagt hoe het met me gaat, was een beetje ongerust want had van een andere vriendin gehoord dat ik zo’n moeite heb met slapen. Die andere vriendin had dat gelezen op facebook. Beiden hadden me al berichtjes gestuurd, maar ik was er nog niet aan toegekomen ze te lezen, laat staan ze te beantwoorden. Mijn hoofd laat niet veel meer toe.
Het doet deugd nog eens met iemand te kunnen praten. Ook al komen de woorden dan verward en van de hak op de tak uit mijn mond. Zo voelt het toch.
Ik zeg hoe het met me gaat. Doe me voor een keer eens niet flinker voor dan ik me voel. Want er zijn ook nog andere dingen gebeurd. Dingen die me wakker zouden kunnen houden, mocht ik niet al wakker zijn. De vriendin zegt: jij houdt je altijd sterk, hè, maar dat hoeft niet hoor. Niet bij mij. Ze zucht dat ze het spijtig vindt dat ze me geen knuffel kan geven nu.
Ik vraag me even af of ik nu hoor te huilen. Er komen geen tranen, alleen de woordenvloed. Ik zeg wel drie keer hoe haar bezoekje me ontroert, verwarmt. Ook al is het in de deuropening koud, rillen mijn blote knieën. Het is nu helemaal donker buiten.
Terwijl ik op mijn beurt vraag hoe het met haar gaat, een hardnekkige gewoonte, besef ik al dat ik haar antwoord niet zal kunnen horen. Een paar flarden dringen door. Iets over haar vriend en samenwonen maar dat dat niet kan nu. Ik probeer me niet schuldig te voelen over mijn afwezigheid, maar weet ook zeker dat ze me dat niet kwalijk neemt.
Ik koester deze vriendin. Al zowat mijn hele leven is ze er, ook al was er ook een lange periode waarin we elkaar uit het oog waren verloren. Zij weet ook dat ik soms eerder iemand aan mijn deur nodig heb, dan een ‘laat maar weten als ik iets voor je kan doen’ bericht. Ze neemt afscheid, stapt naar de fiets die ze aan het begin van onze oprit heeft achtergelaten.
Wanneer ik, terug in mijn warme living, in het tasje kijk, ontdek ik allemaal kleine feel good-pogingen. Vier verschillende zakjes thee, elk met een andere helende werking; een groene kaars; een in klei gebakken ster aan een sierlijk touwtje; een zelf in elkaar geknutseld kaartje, waarop ik lees: ‘Sterke Katrin’, maar wanneer ik wat beter kijk, blijkt er ‘Sterkte Katrin’ te staan. Soms heb ik niet meer nodig.

——————-

Een kleine maand later:

Ik lig wakker en voel me gelukkig. Ik haal mijn schouders op over het wakkerliggen, want ik ben meer dan dat.
Overal lees en hoor ik uitspraken als ‘2020, een jaar om snel te vergeten’. Ik krijg nieuwjaarswensen waarin staat: ‘Op naar een beter jaar!’
Zelf voel ik niet de neiging om een heel jaar zomaar weg te gooien. Want ook in 2020 gebeurden er mooie dingen, en heb ik genoten en gelachen. Het was een topjaar op fysiek gebied, een vriendschap werd hersteld, de band met mijn ouders gerepareerd. Ik leerde nieuwe mensen kennen, had twee fijne vakanties aan zee, kon her en der toch een paar vrienden op een veilige manier ontmoeten toen dat mocht. Uiteraard vielen ook heel wat dingen weg. Ik miste de yogabijeenkomsten op maandag, de leeskring die zo’n fijne groep vormt, de gesprekken met mijn therapeute, de spontane uitstapjes en etentjes en terrasjes met vrienden.
Veel mensen lijken vergeten te zijn wat wèl kon, waar ze plezier aan beleefden, de momenten van rust, inzicht, geluk. Ik besef dat ik me in een geprivilegieerde situatie bevind omdat ik geen zaak heb die gesloten werd, me niet eenzaam voel of geen schoolgaande kinderen heb die plots thuisonderwijs moeten krijgen en zich slecht in hun vel voelen, maar wanneer ik dan steeds meer jongeren hoor morren omdat ze even op de tanden moeten bijten, dan denk ik terug aan de periode van chronische hyperventilatie en straatvrees die ik doormaakte van mijn pakweg twintigste tot mijn vijfentwintigste, en hoe uitzichtloos dat leek. De angstaanvallen, de paniek, het opzien tegen elke stap buitenshuis. En al snel ook de anticiperende angst, tot die me uiteindelijk ook binnenshuis achtervolgde, tot in mijn bed toe. En hoe mijn leven toen wel vijf jaar on hold werd gezet, ik met moeite afgestudeerd raakte en terwijl mijn studie- en leeftijdgenoten aan hun carrière begonnen, ik opgesloten zat in een huis en thuissituatie waarin ik me niet goed voelde.
Misschien heeft die periode me geholpen om me nu, tijdens deze coronacrisis, rustiger, tevredener te voelen. Ook al is het virus ook in mijn familie en omgeving flink tekeergegaan.
Ik zie zoveel frustratie, boosheid, venijn. Mensen lijken niet meer te kunnen zonder afleiding van zichzelf, moèten het huis uit, het vliegtuig op, liefst zover mogelijk weg. Velen zijn het lachen verleerd, zien overal een complot achter, lijken te denken dat het doel van de maatregelen die ons moeten beschermen, is om onze vrijheid af te pakken. Vriendschappen worden opgeblazen, agenten aangevallen, virologen met de dood bedreigd.
En terwijl de hele wereld in rep en roer staat, dromen ook mijn man en ik van andere tijden. Hij wil weer kunnen gaan skiën, volleybal spelen, zijn moeder die in maart weduwe werd eindelijk eens in zijn armen nemen. Maar we blijven rustig, maken er het beste van. Tijdens zijn anderhalve week kerstvakantie kochten we Trafalgar Square in een legodoos, en puzzelden we duizend stukjes aan elkaar.