Selecteer een pagina

Ik zit onder een grote groene parasol op een terras dat in de schaduw ligt, en drink kleine slokjes van een cappuccino. Buiten mij is er niemand, op twee dertigers na. Zij, een man en een vrouw, zitten wat verderop en over de rug van de vrouw kruipt traag een strook zonlicht die het terras gevonden heeft. Aan haar voeten beige pluchen muiltjes, iets tussen slof en sandaal in. Zij praat, hij zwijgt. Hun tafel loopt over van ontbijt. Boven mij flapperen de afhangende randen van de parasol in een bries.

Ik zag foto’s van kamers, meubels, een keukeneiland, een bed, een tuin. Ze drongen zomaar via mijn laptop mijn eigen huiskamer binnen. Her en der stonden restanten van een moeizaam bedongen inboedelverdeling, allang niet meer interessant. Op het eiland, wist ik, had ooit nog een verzorgingskussen gelegen met daarop een baby. En over de grijsgroene traploper liepen zoveel voeten. Gelukkige, angstige, zwangere, verdrietige. Hier woonden mensen die wilden leven, en mensen die wilden sterven.
Ik vroeg me af of in dat schrale bed onder de knaloranje deken dan toch, uiteindelijk, iemand was doodgegaan. (Of waren die zwarte vlekken op het visgraatparket in de woonkamer misschien, eventueel, lijkvocht?)
Wat niet op de foto’s te zien is, is de kat onder de grond in een hoek van de tuin, naast de ontploffende pioen.

Al mijn hele leven wil ik onverstoorbaar zijn. Ik doe mijn best, maar heb er geen aanleg voor.
Op mijn onverstoorbaarst ben ik wanneer ik ’s nachts op de wc een velletje papier afscheur en dat in slow motion zie gebeuren. Dan observeert iets wat omvangrijker is dan mijn oog hoe de gaatjes tussen de twee vellen groter en groter worden, om dan met een verlossend en onomkeerbaar plofje uit elkaar te knappen. Het is op die momenten dat ik me realiseer dat ik Overzicht heb, alles zie, alles weet, alles vòòrzie.

Op facebook kom ik tot de ontdekking dat ik al drie jaar lang verjaardagswensen stuur aan een dode. In de gemeenschappelijke vriendenlijst ontdek ik twee bekenden, van wie ik ook al zo lang niets meer hoorde. Ik stuur beiden een bericht met de vraag of zìj nog wel in leven zijn. Een van hen zegt blij te zijn weer eens van mij te horen, maar meteen daarna valt ons contact opnieuw dood.
De ander laat zijn bericht dagenlang ongelezen, opent het dan toch, maar reageert niet.
Soms hebben mensen geen zin in mij. Dat begrijp ik, daarmee heb ik geen probleem. Daarin ben ik onverstoorbaar.

Ik koop zes gouden lepels, mat. Aan de telefoon zegt een man die ik niet eerder sprak dat hij zal proberen mij te helpen (ik huil niet aan de buitenkant). Een vriend die me uitlacht met een guilty pleasure die ik hem ooit opbiechtte, negeer ik. Ik besef dat ik meer moeite heb met vooroordelen dan het uitlachen, en neem me voor hem niets meer op te biechten. Omdat ik niet teleurgesteld wil zijn in hem. Ik fiets met een verjaardagscadeautje naar een vriendin, we praten bij op een wiebelige bank onder de bananenplanten in haar tuin. Zoals iedereen, vraag ook ik of er bananen aankomen. Van een andere vriend weet ik dat een bananenplant die vruchten krijgt, doodgaat.
Iemand schreef over spijt. Spijt over dingen die ze had gedaan, en dingen die ze niet had gedaan. Over verspilde tijd en verspilde moeite. Ik dacht: doe maar niet. Degene die spijt heeft is iemand anders dan degene die die dingen ooit deed of naliet. Op elk moment in ons leven doen we wat ons op dàt moment het beste lijkt. Dus ja, ook spijt hebben.