Selecteer een pagina

Terwijl ik naar het bureau hinkel, schrijft de dermatoloog in mijn dossier: ‘flink geweest’. Hij kijkt terug naar onze laatste afspraak, een jaar of vijfentwintig geleden, en zegt: ‘Toen was je waarschijnlijk ook flink, maar ik heb het er niet bijgeschreven. Dat deed ik destijds alleen bij kinderen. Totdat ik op een dag een man van achtendertig op de behandeltafel kreeg die het hele gebouw bij elkaar gilde, en toen flauwviel. Die was niet flink. Vanaf toen noteerde ik het bij alle patiënten. Maar jij, jij geeft geen kik.’

Dan gaat hij verder waar hij aan de behandeltafel geëindigd was. Hij vertelt over zijn moeite met ouder worden (zijn dikke zwarte haardos van vijfentwintig jaar geleden is nu een – nog steeds – dikke grijze haardos geworden; zijn grapjes bleven hetzelfde), zijn wandelclub, legt me de bizarre oorsprong van de lachwekkende clubnaam uit, vermeldt een wandelanekdote waarbij hij tijdens een vierdaagse per ongeluk werd opgesloten in een winkelcentrum en hoe hij daaruit werd bevrijd, denkt luidop dat hij dat nog niet aan Christine heeft verteld (ik heb geen idee wie Christine is), noteert een nieuwe afspraak op een post-it met de naam van de wandelclub op, en geeft me een vlijmscherp scalpel mee, waarmee ik de komende weken zelf in mijn voetzool mag zitten kerven. Bij mij zal het wandelen weer even op een lager pitje staan.

Op de fiets naar huis foeter ik in mijn hoofd op de dermatologe die een goed half jaar geleden zo heeft zitten knoeien. Zodanig dat deze man mijn voet begroette met: ‘zo, toch nog een stukje voet over’.

Na een tot mijn verbazing vrij pijnloze nacht, wandel ik rustig in winkels rond op mijn roze skechers met ‘memory foam’ zool. Blij dat ik ze heb; niemand ziet iets aan me. In de supermarkt aan de kassa wijst de man achter me naar het potje zonnebloempitten dat ik op de band heb gezet, en vraagt: ‘Zijn die lekker?’ Ik antwoord dat ik het niet weet, dat ik ze nog nooit puur heb gegeten, maar van plan ben er muesli mee te maken. Hij knikt, wendt zich weer tot zijn eigen producten. De pompoenpitten interesseren hem kennelijk niet. Het is de eerste keer dat iemand zo persoonlijk met me werd aan de kassa in de supermarkt.

Thuis pak ik de pitten en noten en havermout uit en begin aan mijn dagelijkse yogasessie. Ik doe alles zoals ik het gewend ben, met alleen wat minder steun op mijn rechtervoet, die toch een beetje zeurt nu. Maar de yoga sla ik geen dag over, al vier maanden niet. Het is een fijne verslaving geworden. Omdat het me een gevoel van controle over mijn lichaam geeft, een lichaam dat steeds strakker en gespierder en soepeler en sterker wordt. Bodybuilding heb ik altijd maar niks gevonden, zeker wanneer het overdreven wordt (en dat is het al gauw voor mij), en bij vrouwen vind ik het ronduit lelijk. Maar nu kan ik mij er toch iets bij voorstellen. Hoe het moet voelen, en hoe het een verslaving kan worden. Mijn yogaspiertjes zijn uiteraard niets vergeleken daarmee.

Samen met de twee meditatiesessies, één ‘s ochtends en één ‘s avonds, vormt de yin yoga ook een houvast waarrond de rest van mijn dag zich vouwt. Ik plant mijn voeten steeds liever stevig op de grond, met wortels tot diep daaronder. Ook tijdens het stappen zoek ik meer contact met de aarde, ben ik me bewust van het afrollen van mijn voeten. En ‘s avonds in bed ontspan ik mijn tenen, denk aan de ruimte ertussen, en val in slaap.