Selecteer een pagina

Nog steeds wandel ik elke ochtend, maar soms kost het me moeite. Of heb ik er geen zin in. Misschien ben ik de buurt wat beu.
Of eerder: de hele wereld. Het coronagezeur, het egoïsme, de domheid, de oorlog. Het is te veel geworden, ik wil rust. En dus heb ik me teruggetrokken. Weg van sociale media, weg van berichten, weg van verplichtingen, van Jan en alleman die iets van je nodig heeft. In de mate van het mogelijke.
Alleen het contact met enkele vrienden bleef, versterkte zich zelfs. Ik begon een vriend vaker op te bellen nu we geen Messenger meer hadden, en dat deed deugd. Met anderen zijn er wandelplannen.
Soms werd iemand een beetje bezorgd en wist me langs een of andere weg toch te bereiken, vroeg of ik oké was. Ik sta mezelf toe om berichten te openen, lezen, beantwoorden, wanneer ik daar zin in heb, en niet omdat het moet.

Wanneer ik over de markt wandel, zie ik om klokslag half tien een vrouw met hoge paardenstaart het rolluik voor een parfumerie omhoogduwen. Haar profiel toont mij een diep bruin gemaquilleerde gezichtshelft met clownesk rode wang en een donkere laag tussen wenkbrauw en oog. Haar witte oor en hals steken zielig af tegen het masker dat ze draagt. Ik krijg zin om haar wat goedbedoeld advies te gaan geven, maar wandel gewoon door. Ik weet trouwens zeker dat haar schild van parfum me op een meter afstand al tegen de grond zal slaan.

Ik laat de markt achter mij en sla de straat naar een woonwijk in. Het huis dat al maanden door officiële papieren op houten stokken werd omringd, heeft eindelijk een grijper in zijn dak die hap-hap-hap op de pannen kauwt. Het was nochtans een degelijk huis, nog niet zo oud, fermettestijl met knalgele, immer gesloten gordijnen achter de verandaramen. Ik vermoed dat er een zoveelste flatgebouw zal komen, en niet een bosje bomen.
Afbraak van huizen interesseert mij meer dan opbouw, bedenk ik wanneer ik verder wandel. Ik vraag me af waarom. Misschien heeft het te maken met het brute, het groteske ervan, het op enkele uren kunnen laten verdwijnen van iets waar ooit maanden aan werd gewerkt. Steen voor steen. Ik ben allesbehalve een bruut, maar ik vermoed dat het te maken heeft met geshockeerd worden in behapbare doses. Het herinnert mij eraan dat ik leef.

In mijn droom sta ik voor een half dichtgegooide put met daarin allemaal, nog levende, mensen. In plaats van hulp te halen, veeg ik snel met mijn voet aarde op de lichamen, tot ze allemaal bedekt zijn. Dan wandel ik weg.