Selecteer een pagina

Ik kijk naar hoe er mensen uit mijn leven verdwijnen, en anderen erin verschijnen.
Mensen veranderen, en dan gebeurt het wel eens dat ze gewoon niet meer bij elkaar passen, en dat is soms pijnlijk, maar ook oké.
Enkele weken geleden hoorde ik mijn therapeute zeggen: ‘Al diegenen die zich in de loop der jaren uit je leven hebben gemanoeuvreerd, ik heb daar eigenlijk medelijden mee. Omdat ze nu zo’n fijn, hartelijk iemand moeten missen.’ Haar uitspraak klonk me wat potsierlijk in de oren, maar toch deed ze me deugd. Ze had het niet over vrienden, maar over ouders en andere familie. Mensen die er altijd voor je zouden moeten zijn, maar daar soms niet toe in staat zijn. Vanuit eigen kwetsuren. Vanuit een stuk-zijn.

Maar ook vrienden kunnen verdwijnen. Het cliché ‘in nood kent men zijn vrienden’, ik heb het al meermaals ervaren. Of: mensen van wie je het het minst verwacht, zijn er plots voor je.
Veel ligt ook aan mij, besef ik. Met het ouder worden, word ik steeds meer trouw aan mezelf. Dat houdt ook in: mensen uit mijn leven weren die me een slecht gevoel over mezelf proberen te geven. Als iemand iets tegen me zegt dat me kwetst, type ‘jij bent zus’, of ‘jij bent zo’, dan kijk ik goed naar mezelf, probeer te begrijpen waarom iemand dat over me beweert, vraag soms zelfs aan mijn man – want wie weet gaat het om een blinde vlek – of hij ook vindt dat ik zus of zo ben of doe, en wanneer dat dan niet het geval blijkt te zijn, kan ik de kwetsende opmerking, of hoe die persoon mij meent te moeten invullen, naast me neerleggen. Het probleem is ook dat sommige mensen denken je te kennen en dan boos worden omdat je niet reageert zoals zij verwacht hadden. Ik ben veel, ik weiger mezelf in een hokje te laten plaatsen.
Waar ik dan ook beter in ben geworden, is contact mijden met mensen die mij niet aanvaarden zoals ik ben. Die menen te moeten voorschrijven hoe ik moet leven, of erger: die geen begrip kunnen opbrengen voor de chronische ziekte waar ik mee te kampen heb. Soms kan dat plots gaan. Dan duldt men jarenlang dat ik niet alles kan of overal naartoe kan of met hen kan afspreken wanneer zij dat willen, en opeens komen dan de verwijten. Vaak in de vorm van: ‘toen jij die ene keer, vijf jaar geleden, niet bij me kon geraken, toen heb ik mij opgeofferd …’ enzovoort. Zo zal het mij ook niet meer overkomen dat ik op facebook een vriendschapsverzoek aanvaard van een man die mij jaren daarvoor, na enkele leuke dates, plots liet vallen omdat zijn ego gekwetst was omdat ik aan het einde van een fijne avond op restaurant mijn energie zodanig voelde wegsijpelen dat ik alleen nog maar naar mijn bed verlangde, me niet meer in staat voelde nog iets te gaan drinken. Hoe ik ook probeerde uit te leggen dat het niets met hem te maken had.
Of mensen die niet willen aanvaarden dat ik af en toe tijd voor mezelf nodig heb, tot rust wil komen, allerhande prikkels wil vermijden, mijn tijd en energie wil besteden aan andere dingen dan bijvoorbeeld internet.
Uiteraard maak ook ik fouten, zal ik mensen ook wel eens teleurstellen. Maar wat ik ook aan het leren ben, is dat ik niet feilloos hoef te zijn, en dat je niet voor iedereen goed kan doen. Iets wat ik veel te lang veel te hard heb geprobeerd.

Op weg naar de broodautomaat kom ik een vriendin tegen op de fiets. Ik ken niemand die enthousiaster reageert, telkens ze me ziet. Alsof we jaren geen contact hebben gehad. Ze omhelst me, we praten vijf minuten met elkaar, spreken af snel weer eens iets te gaan drinken met ons vriendengroepje. Enkele uren later sms’t ze: je straalde en zag er zo goed uit! Dat verbaast me, want ik voelde me belabberd, had een behoorlijk slechte dag èn eraan voorafgaande nacht, méér dan dat korte fietstochtje zat er niet in. Ik ben uiteraard blij met het compliment, maar besef weer maar eens dat mensen alleen dat stralen zien.