Selecteer een pagina

Het is nog vroeg wanneer ik mijn fiets aan de treinhalte parkeer. Ik wrijf over de mouw van mijn zachte roze trui en voel hoe de mist zich erop heeft neergelegd gedurende de twintig minuten durende tocht. De ticketautomaat staart me aan met een blanco scherm. Ik probeer enkele knoppen, maar er komt geen leven in. In mijn hoofd duiken de verhalen op die ik las van mensen die toch nog werden beboet, ook al legden ze aan de conducteur uit dat de automaat aan hun opstapplaats stuk was. Ik hoop op een menselijke conducteur zo dadelijk, maar ben er niet gerust in. Je zal zien dat er bij het opstappen weer niemand te zien is, zodat ik niet kan verwittigen dat ik geen ticket heb.
Op het perron klap ik mijn goudkleurige zakspiegeltje open om na te gaan of de mist mijn mascara, hoe waterproof ook, niet heeft doen uitlopen. Mijn haargrens is versierd met allemaal kleine pareltjes. Ik druk ze een na een stuk tussen duim en wijsvinger. Ik berg het spiegeltje weer op, een vrouw stapt het wachthok in en wenst me een goedemorgen. Ik wens haar hetzelfde. Een oude man wandelt het hok nors voorbij. De trein is daar.
Ik wacht tot laatste op het perron, stap dan op zonder een conducteur te hebben gezien. De wagons zijn zo goed als vol. Op een deel van de stoelen zitten rugzakken en tassen. Ik vind een nog lege plaats, leg mijn portefeuille op mijn schoot als teken van bereidwilligheid tot betalen.
Na tien minuten stapt een jonge conducteur met donkere krullen de wagon binnen. Ik probeer zijn strengheid in te schatten aan de hand van zijn gezicht. Hij lijkt me wel oké, misschien maken krullen mensen zachter.
Zodra hij mijn plaats bereikt, zeg ik snel: ik ben in M. opgestapt, maar daar was de ticketautomaat stuk. Hij knikt, vraagt naar waar ik reis. Ik bestel een retourticket. Hij kan niet teruggeven op mijn briefje van twintig, zegt dat hij later zal terugkomen met wisselgeld. Nu ik wat meer tijd heb, zoek ik het gepaste bedrag bij elkaar. Het lukt net. Nog tien minuten zit ik met het geld in mijn hand op hem te wachten. De man voor mij kijkt ernaar.
Dan krijg ik eindelijk mijn ticket. De conducteur reageert niet geïrriteerd omdat ik nu wèl het gepaste geld heb. Hij lijkt zichzelf een beetje te hebben uitgeschakeld.
Op het kaartje staat: ‘Ticket. Of vaststelling van onregelmatigheden’. Ik heb er de normale prijs voor betaald, ondanks de onregelmatigheden. Nu heb ik eindelijk mijn handen vrij om de vriend met wie ik vandaag heb afgesproken te sms’en, hem te laten weten dat ik eraan kom. Even later schuift de trein het eindstation binnen. Iedereen wil er zo snel mogelijk uit.
Op het ondergrondse perron staan twee mooie soldaten. Ze kijken nergens naar. Hun geweren wijzen naar de grond.

Tijdens de lunch met T valt me op hoe hij naar me luistert, met zijn aandacht bij mijn verhaal is. Ondertussen eet hij twee broodjes en een stuk chocoladetaart. Ik heb al veel chocoladetaart met hem gegeten. Zelf heb ik een broodje met mozzarella en zongedroogde tomaat genomen. Er valt een stukje tapenade op mijn nieuwe broek. Het maakt een piepklein vlekje op de groene glanzende stof. Niemand zal het zien, maar ik weet dat het er is, en mijn ogen gaan er telkens weer naartoe.
Mijn vriend zegt dat hij op zijn werk op non-actief is gezet. Omdat hij te traag werkt. Ik vraag me af of de reden niet eerder zal zijn dat hij zijn baas vroeg of die wel woù dat hij in zijn job slaagt.
Ik eet mijn wortelcake en zeg dat ik niet meer slaap. Het is er warm en druk, aan de voeten van de vrouw naast ons ligt een hond op een dekentje. Het vlekje op mijn broek is nog even onzichtbaar.

Omdat T een afspraak heeft in het ziekenhuis, ga ik in mijn eentje naar een film hoog boven de stad. Er zitten tien mensen in de zaal. De man die schuin achter me plaatsneemt, wenst me goeiedag. Omdat we elkaar hebben begroet, ben ik me de hele tijd bewust van hem. Op het scherm wordt heftig verleid, en aan het eind een lijk verpakt in een geborduurd laken. Nog voor de aftiteling begint en het ingetogen eindlied weerklinkt, komt een poetsmeisje de zaal binnen. Er floepen spots aan en zij begint te rommelen met borstel en blik. De helft van de mensen staat op, de andere helft, waaronder ik, blijft zitten in de stukgeslagen sfeer. Het meisje ruimt op waar niets op te ruimen valt. Op plaatsen waar niemand zat.
De weg naar buiten leidt langs kale donkere trappen waar geen einde aan lijkt te komen, en die doen denken aan een parkeergarage. Ik voel me buitengegooid.

De zon is fel, ik moet nog een uur wachten op een trein huiswaarts. Ik bestel ergens koffie.
Het kassameisje vraagt mijn naam, schrijft hem op een kartonnen beker. Ik weet dat ze hem verkeerd zal schrijven. Ze vraagt of ik geïnteresseerd ben in hun nieuwe koffiesoort en ik zeg welwillend ja. Ze vergeet erbij te vertellen dat die duurder is, wat ik pas merk bij het afrekenen. Even later vraagt het oosters bekervulmeisje aan het eind van de toog me: Katri-èn? Ik neem de gevulde beker aan.

In de trein probeer ik een plaats te vinden met zo min mogelijk hoesters rondom. De hele rit lang zit de vrouw achter mij hoorbaar te geeuwen. De zon schijnt warm door de ruit.
Op de fiets naar huis kom ik mijn stugge buurvrouw en haar sprietige zoontje tegen. Ik herken hun auto net te laat om te wuiven. Het is niet zeker dat ze hadden teruggewuifd.

Bij thuiskomst vind ik een mail van N met een link naar slaapbevorderende kamerplanten. Misschien koop ik wel een dracaena.