Selecteer een pagina

Ik word vroeg wakker met een hard kloppend hart waarover de dokter onlangs – nog maar eens – zei: gevaarlijk snel. Omdat ik – weer maar eens – denk dat mijn hart het zal begeven, omhels ik mijn man die uit de badkamer komt, klaar om te gaan werken, voor een eventueel laatste keer. In zijn armen zeg ik: ik zie je graag, en hij antwoordt: ik ook … jou. Die jou werd toegevoegd om de grap af te zwakken, weet ik. Een afgezaagd grapje van iemand die moeite heeft met zulke woorden. Om daarna snel de ernst weer af te zwakken met een ‘de vonk is er!’ We moeten beiden lachen, ook stervend lukt mij dat. De vorige avond zagen we op tv hoe Rebecca op een Kaapverdisch strand keer op keer, steeds wanhopiger, aan boer Etienne vroeg: maar is de vonk er?!, tot boer Etienne uiteindelijk toegaf dat de vonk er niet voor haar was, maar voor een ander. Schrijnend op zich, vermakelijk voor de kijker.
Mijn man vertrekt naar zijn werk, ik blijf leven.

‘s Avonds zit ik alweer in de wachtkamer van de dermatoloog. Ik hoor hem praten met een patiĆ«nt en veronderstel dat het over een van zijn reizen gaat, of over de wandelclub, of over de oorsprong van yoga. Ik ben alleen in de kamer en neem een foto van Grote Smurf, die me vanop een kast staat toe te lachen. Ik stuur de foto naar een vriend, die me veel speelplezier wenst.
Een twintiger met dreadlocks komt de behandelkamer buiten, de dokter schudt zijn hand, daarna de mijne. Meteen krijg ik te horen waarover die twee het hadden. De ‘nogal alternatieve’ jongeman doctoreert in Nederland, iets met rechten, en aangezien de dokter van zowat alle markten thuis is, heeft hij hem nog iets kunnen bijbrengen ook.
Ik ga op de behandeltafel zitten voor de zoveelste vrieswattenstaaf die in mijn voet zal worden geduwd, maar vraag de dokter eerst eens naar mijn gezicht te kijken, naar dat bijna onzichtbare dingetje op mijn wang. Gewoon, omdat ik hier nu toch ben. Hij zet een spot op mij en zegt: kwaadaardig. Recht in het gezicht. Ik ruik koffie in zijn adem. Hij haakt er nog wat woorden rond, waaronder een lange naam die ik nooit zal kunnen onthouden, maar alleen het woord ‘kwaadaardig’ blijft hangen. In de wachtkamer hoor ik Grote Smurf kreunen. En later, aan het bureau, met mijn voet die jankt en schreeuwt in mijn enkellaarsje, hoor ik ook nog wel dingen als ‘snijden’ en ‘draadjes’ en ‘klein litteken’. Maar sterven zal ik eerder van mijn hart, heb ik de indruk. De dokter neemt een blad papier met daarop een kinderlijke voorgedrukte zwart-wittekening van een opgewekt meisjesgezicht en daarnaast een lichaam in vooraanzicht en een in achteraanzicht. ‘Je hebt geluk, het is een meisje’, grapt hij. ‘De lichamen zijn uniseks, maar daar kan ik desgewenst een piemel op tekenen.’ We grinniken allebei omdat dat zo hoort in deze omstandigheden. Hij zet een kruisje op de linkerwang van het meisje, iets boven de mondhoek. De volgende keer dat ik hier kom, zal ik naar buiten hinken met een pijnlijke voet en een pijnlijk gezicht.
Ik fiets in het donker naar huis met de rechtervoet zo licht mogelijk op de trapper, en huil een beetje. Het is veel geweest de laatste jaren, en nu werd het nog meer.

‘s Avonds voor tv zit mijn man dicht tegen me aan, onder een veilig dekentje. Hij vraagt of ik veel pijn heb, en of ik me zorgen maak. Ik zeg ja en ja. Zijn hand streelt mijn schouder.
Even later lachen we hard met een grapje in De Slimste Mens, omdat je dat doet in deze omstandigheden.
In bed vraag ik me af of ik in de tien dagen tussen snijden en draadjes verwijderen wel zal kunnen, mogen lachen. En of ik de kassiersters dan met net zo’n zuur gezicht zal moeten begroeten als al die anderen. Vreselijk lijkt me dat. Misschien kan ik een bordje om mijn nek hangen met ‘ik ben niet zo, hoor’.