Selecteer een pagina

Omdat ik de laatste weken goed aan het lopen ben, en mijn lichaam het blijkbaar aankan en ook nog eens méér wil, gingen mijn man en ik enkele dagen geleden op zoek naar degelijke loopschoenen. Het was de eerste keer dat we een niet-voedingswinkel bezochten sinds de versoepeling van de coronamaatregelen, en dat deden we toch een beetje met tegenzin. Maar het moest gebeuren, want tot hiertoe liep ik op mijn wandelschoenen en dat wou ik niet te lang meer doen om kwetsuren te voorkomen. En aangezien je schoenen, en al zeker sportschoenen, toch best past voor je ze koopt, konden we er niet veel langer meer onderuit.
Vier uur zijn we weggeweest. Bij twee grote gespecialiseerde zaken keerden we meteen om toen we de lange rijen voor de inkomdeur zagen. Dankzij een tip van een sportieve vriendin kwamen we uiteindelijk terecht in een kleinere zaak, waar ik na een kwartier wachten op een loopstrook kon voor een studie van mijn loopje. Terwijl we stonden te wachten, zag ik een andere klant het me voordoen. Ze pakte twee tippen van haar brede broek tussen haar vingers, en jogde op bevel van een gemondmaskerde verkoper een aantal keren heen en weer. Op een groot scherm tegen de muur verschenen tekeningen van haar voetzolen met daarin een bonte mengeling van kleuren, al naargelang de druk op dat deel van de voet.
Toen was het aan mij. Mijn naam, adres, geboortedatum en gewicht werden in de computer ingevoerd, er werd me gevraagd schoenen en sokken uit te trekken. De verkoper knielde neer bij mijn voeten, wees naar mijn grote tenen en vroeg: heb je daar last van? Ik zei nee, begreep niet goed waar ik dan last van zou moeten hebben, maar wou het eigenlijk niet weten. Daarna mocht ook ik blootsvoets over de rode strook (als van een heuse atletiekpiste!) lopen. Halverwege een vierkante plaat waar telkens een voet diende op neer te komen; links of rechts, daar hoefde ik niet op te letten. Na drie keer heen en weer werd me toch gevraagd of ik ook eens met mijn rechtervoet op de plaat kon terechtkomen.
Na de test keek ik mee naar een sterk vertraagde zwart-witfilm van mijn onderbenen en voeten. Hm, mooie kuiten, vond ik. Maar de man wees naar mijn linkervoet. ‘Kijk eens, je voet zakt een beetje naar binnen.’ Ik vermeldde de platvoeten die ik als kind had en de steunzooltjes die ik enkele jaren moest dragen, opperde dat het daar misschien een restant van was. Hij knikte, keek me bedachtzaam aan. Zijn stilte duurde zo lang, dat ik dacht: nu zoekt hij woorden om me te vertellen dat ik het lopen maar beter vergeet. Maar nee, er was nog hoop voor me. Hij had schoenen voor mij met een ingebouwde steun, die mijn voeten mooi recht zou duwen tijdens het lopen. En in geval van nood kon ik nog altijd naar een podoloog voor een extra steunzool. ‘Je bent nog jong, we willen je knieën niet verknoeien’, zei hij, en mijn grijns zag er vast een beetje spottend uit, want hij vulde aan: ‘Oké dan, niet pièpjong, maar jong.’ Misschien ging er achter zijn mondmasker ook een lachje schuil. Van de vier paar schoenen die hij me liet passen, waren de mooiste gelukkig ook de best zittende.

Toen we weer naar huis reden, dacht ik: je bent blijkbaar nooit te oud om nieuwe dingen over je lichaam te weten te komen. Of te horen te krijgen. In dit geval had ik het zelf ook kunnen zien, het bewijs was er, maar in mijn hoofd doken beelden op van hulpverleners die in de loop van mijn leven hun oordeel over mijn lichaam ongevraagd kenbaar hadden gemaakt. De huisarts die me eens zei: jij hebt veel buikspieren, zeg. (O ja?) Of de nieuwe tandarts die me enkele jaren geleden meedeelde: jij hebt wel grote tanden, hè. Tot dan toe had ik nooit over mijn tanden gedacht als afwijkend van de norm, maar de maanden na die uitspraak vroeg ik me meermaals voor de spiegel af of dat nu echt ‘grote’ tanden waren. (Toen ik bij een volgende afspraak in die gedeelde praktijk naar een andere tandarts vroeg, bleek de vrouw van mijn eerste bezoek er niet eens meer te werken. Vast weggestuurd omdat ze ongevraagd meningen over ieders gebit uit, dacht ik met enige genoegdoening. Maar het kon ook zijn dat ze niet veel patiënten meer had omdat ze de speekselopzuigdarm zodanig in je mond stak dat je moest kokhalzen omdat je dreigde te verdrinken in je speeksel, of omdat ze haar instrumenten zo ruw op je borst wierp. Wie zal het zeggen.) Of de ene kapster die me keer op keer beklaagde om mijn ‘fijne’ haren (‘Het enige voordeel dat jij hebt is dat ze snel droog zijn!’), en de andere kapster die me bekende jaloers te zijn op mijn ‘mooie, levendige haren die haar meteen waren opgevallen toen ik de zaak betrad’. Of de neus-keel-oorarts die me probeerde duidelijk te maken dat mijn gehoorgang tè perfect gevormd is, en dat net dàt de oorzaak is van het vaak voorkomende vocht achter mijn trommelvliezen. Of de osteopaat die me wist te vertellen dat mijn linkerschouder niet goed zat (nooit last van gehad, nooit iets van gemerkt), en of ik er misschien ooit als kind op was gevallen of zo? Of de dermatoloog die, gisteren nog, vanonder zijn mondmasker mompelde: ‘Is je ene been misschien een beetje korter dan het andere? – Ah nee, dat eeltplekje op je voetzool zal er gekomen zijn doordat je de laatste tijd meer op die voet moest steunen.’ En zo voegde deze loopschoenenverkoper een nieuw weetje over mijn lichaam toe aan de lijst. Ik ben gelukkig oud (maar niet ècht oud) genoeg geworden om er mijn – al dan niet gehavende – schouders over op te trekken.

Nu mijn therapie tijdelijk is stopgezet, moet ik al het denkwerk in mijn eentje doen. Ik kan het ook niet laten om na te gaan waarom ik in een bepaalde situatie op een bepaalde manier reageer, of waarom ik telkens in dezelfde patronen kom vast te zitten (en hoe ik daar uit kan geraken), en dat onderzoek gaat dan zo ver dat die hele ‘ik’ wordt ontleed en onvermijdelijk afbrokkelt, niet eens blijkt te bestaan.
Om mezelf de hele dag door te herinneren aan mijn niet-bestaan, draag ik een mala om mijn pols (die soms pijnlijk aan de haartjes trekt wanneer ze even vast komen te zitten tussen de parels – als een extra hulp), met als gevolg dat die pols steeds minder ‘mij’ wordt, en ik me ook begin af te vragen waarom ik plots wil lopen. Of het geen weglopen is. (Waar ik geen probleem mee heb, omdat er niets is om van weg te lopen. En zo gaat dat maar door.)
Ik kwam tijdens mijn eindeloze overpeinzingen tot de vaststelling dat ik over heel veel ongerust ben. Het ene volgt het andere op, het is een levenshouding geworden. Met maar twee oplossingen: ofwel geamuseerdheid, ofwel een pilletje. Maar ook over een pilletje zou ik ongerust zijn.
Een andere ontdekking is dat de moeite die ik, periodiek, met slapen heb, eigenlijk doodsangst is. Want als je er nachten na elkaar niet in slaagt te slapen (ik weet dat ik dat kan; het overkwam me na mijn bevalling – daar was geen medicament tegen opgewassen), dan word je ziek en ga je dood. Dan val je uit elkaar.
Hetzelfde met lawaai. Oncontroleerbaar lawaai, waar je niet aan kan ontsnappen. Wat steeds vaker voorkomt in onze maatschappij. Het vormt een bedreiging van mijn rust, en uiteindelijk ook weer slaap. Ik kan zien hoe lachwekkend mijn poginkjes zijn om mezelf (alweer: wie?) te beschermen, maar toch ga ik ermee door. Ironisch hoe ik mezelf nu wekenlang laat omringen met een hels lawaai dat het huis letterlijk laat daveren – en dat me elke ochtend nog vòòr half zeven nièt wekt omdat ik al wakker lag uit anticipatie, om een met hagen en poort afgebakende tuin te creëren als een schijnbaar veilige cocon. Hoe die ik daarbij wegkruipt tussen een noise cancelling hoofdtelefoon.