Selecteer een pagina

De cursus ‘verbindende communicatie’ liep ten einde, en werd vervangen door ‘relaxatie en meditatie’. Ook op maandagvoormiddag, zeven weken lang. In de nieuwe groep herkende ik maar liefst vijf deelnemers uit de vorige cursus. We beginnen elkaar dan ook een beetje te kennen, en dat is fijn. En toen ontdekte ik daar ook nog een vertrouwd gezicht uit mijn yogalessen van maandagavond. Op maandagavond is het ‘ieder op zijn eigen matje’, dus ik had nog niet met haar kennisgemaakt. Ik weet niet eens of ze mij herkende (de yogazaal is groot en duister en niemand, buiten de lerares, zegt een woord). Ik sprak haar aan, en we hadden meteen een leuk gesprek.
We kregen theorie over alfa-, bèta-, gamma-, delta-, thèta- en SMR-golven en gingen daarna aan de slag met een flinke meditatie.

Tijdens de tweede les, gisteren, gingen we verder met mediteren, ditmaal op stoelen in een grote cirkel. En toen kregen we plots, ongevraagd, een ‘diksha’, uitgevoerd door de lesgever en een vriend van hem, die daar ook toe ‘bevoegd’ was. Ik had nog nooit van een diksha gehoord, maar besloot het gewoon te ondergaan, met gesloten ogen en een open houding. Ondanks mijn nuchtere levenshouding en niet vatbaar zijn voor zweverigheid, had ik al eerder vreemde dingen meegemaakt, dus misschien werd dit ook nog wel interessant. Maar al wat ik voelde, was een paar onaangenaam warme en wat beverige handen op mijn hoofd. Ik voelde me zelfs een beetje de grond in gedrukt, ook al werd er weinig druk uitgeoefend. Toen de man even later enkele stoelen verder aan het werk was, hoorde ik daar een vrouw beginnen snikken. En de deelneemster die links naast mij zat, zei me nadien dat de diksha haar een gevoelloze arm had gegeven. Ik dacht: oh nee.
En toen daarna de vriend van de lesgever ook nog eens minutenlang reclame mocht maken voor zijn yoga-praktijk en andere toestanden, tot het uitdelen van folders toe, èn die twee ook nog begonnen over meerdere levens en karma (mag best, wat mij betreft; alleen niet alsof het vanzelfsprekend zo ìs), besloot ik dat dit mijn laatste les zou zijn. Bij het verlaten van de klas fluisterde een vrouw me toe: ik had er toch wat anders van verwacht, hoor …
Ik blijf gewoon nuchter op eigen houtje dagelijks verder mediteren met de Headspace-app. Dat doe ik nu al meer dan een jaar, tweemaal vijftien minuten per dag, en meer heb ik eigenlijk niet nodig.

‘s Avonds lag ik in ‘halve kikker’ op mijn matje, tegen de pijngrens aan, en dacht: dit is het. Dit is wat me het gevoel geeft er te mogen zijn. Vanop haar mat wat verderop stak K, de jonge vrouw met wie ik in de meditatiecursus vriendschap had gesloten, glimlachend haar hand naar me op.
Na dat uur liepen L en A, een moeder en dochter met wie ik vaak een babbeltje maak vòòr de les, voor me de trap op. L giechelde als een schoolmeisje. Haar dochter er lachend achteraan. Boven aan de trap draaide L zich naar me om en zei: van deze yogacursus word ik nu toch eens zò goedgezind, hè – dat ìs toch zo, hè? Ik kon niet anders dan beamen. En denken: wat moet het fijn zijn om een moeder te hebben met wie je kan lachen.

Vanmiddag ging ik met N koffiedrinken. Ik amuseerde me, genoot, was vrolijk. Zoals altijd. En zoals ook vorige week, toen ik met andere N een boswandeling maakte. Ook toen vertelde ik honderduit, maakte een gek sprongetje, gesticuleerde enthousiast bij mijn woorden.
Terwijl ik buiten zulke momenten om, verbaasd tegen mezelf zeg: maar het gààt toch niet met je? Waarom doe je dan zo? Waarom kan je het niet gewoon tegen hen zèggen, van dat niet meer gaan?
Maar dan komt altijd het antwoord: wat valt er dan aan te verhelpen? Wat zouden zij kunnen doen? En waarom zou het beter gaan door plezier te verdrinken in het-gaat-niet-meers?