Selecteer een pagina

Die nachten waarin je wakker wordt om naar het toilet te gaan en bij terugkomst een paniekaanval in je bed aantreft. Zomaar, zonder duidelijke aanleiding. Want al wat je van plan was, was weer lekker gaan slapen. Voortzetten waar je zo goed mee bezig was.
Maar iets heeft je lichaam tot onrust gepord. Je legt je op je favoriete zij, besluit te negeren, maar daar wil Paniek niet van weten. Hij begint je buik te kneden, je maag, je hart, al je ingewanden tegen elkaar aan te wrijven. Je houdt het niet meer uit op deze zij en draait je op je rug, legt instinctief je linkerhand op je buik, de rechter hoog op je borst. Je ademt.
Deze nachten zijn inmiddels zo vertrouwd, dat ze je zijn gaan vervelen. Dat je vermoeid denkt: kom maar op, raas maar eens goed door mijn lijf. Je krijgt je speeltijd, maar daarna wil ik verder slapen.
Je gaat bewust mee in de allesoverheersende beroerdheid, wetende dat er een einde aan komt.
En wie niet bang is voor Paniek, verdrijft hem al snel. Maar de slaap is samen met hem verdwenen.
Je knipt het licht aan, leest een paar bladzijden in ‘Voor het vergeten’. Dadelijk zal je toch weer naar een stukje slaappil grijpen, want je wil je niet de hele dag belabberd voelen. Het is half vier, het kan nog net.
Wanneer de pil zijn heerlijke duizeligheid over je uitstrooit en het boek bijna uit je handen valt, knip je het licht uit. Je legt je weer op je favoriete zij, neemt je weer maar eens voor om, nu er toch geen stress achter zit, het inslapen bewust mee te maken.
Wanneer je uren later wakker wordt, realiseer je je dat het ook deze keer niet is gelukt.