Selecteer een pagina

Vannacht, even voor drie. Plots zat ik rechtop in mijn bed, zoals ze dat in films doen na een nachtmerrie. Alleen zijn mijn nachtmerries de laatste tijd vaag. Niet zozeer concrete beelden, maar een ziekmakend onbehagen, een grimmige sfeer.
Mijn rust is verstoord, grondig verstoord, en dat is in mijn lichaam gekropen. Ook het zweven tussen twee woonsten, terwijl ik niet weet of de nieuwe ook wel een thuis zal worden. Omdat ik nog zo hard vasthang aan mijn huidige thuis. Dat we naar een pracht van een huis verhuizen, een zoals ik het me altijd al had gewenst, verandert daar niets aan. Ik voel me dan ook een verwend nest omdat ik niet wat enhousiaster kan zijn.
Ik denk dat ik bang ben geworden voor enthousiasme, omdat ik de laatste jaren zoveel kletsen heb gekregen. Dat iets in mij denkt: rustig maar, want alles kan je zo weer worden afgenomen.
Maar ook: een thuis is zo belangrijk voor me. Omdat dat nooit evident was, ik in mijn hele jeugd nooit het gevoel had er een te hebben, en ik er nadien ook enkele heb moeten opgeven.

Maar ook voor mijn gezondheid heb ik een rustplaats nodig. Een waar mijn hart tot bedaren kan komen.
Pas nog, toen ik mijn griepinenting kreeg, zei de dokter me: je hartslag is alarmerend hoog. Ik hoop dat je snel een nieuw huis vindt, want deze situatie escaleert. De woorden ‘alarmerend’ en ‘escaleren’ bleven in mijn hoofd rondtollen.
Inmiddels is de rust in ons huis weergekeerd, omdat de buren er nauwelijks nog zijn (maar nooit weten we wanneer of voor hoelang), maar mijn lichaam is nog steeds op hol.
In romans kom ik niet meer tot rust. Wel, een beetje, in de Ted Hughes, William Carlos Williams, Delphine Lecompte op het nachtkastje. Vaak in combinatie met een stukje slaappil, dat mij even vrijaf geeft van de rest.

Vanavond zet ik mijn handtekening onder ons nieuwe huis. Dan is er geen weg meer terug.