Selecteer een pagina

We zijn nu al enkele weekends aan het schilderen. Blijkbaar doen wij dat zorgvuldiger dan de vorige bewoners, want we komen soms plaatsen tegen waar de oude verf gewoon afschilfert onder onze borstel. ‘De muren niet stofvrij gemaakt voor het schilderen, of geen primer gebruikt’, gokte de man van de verfwinkel (niet Manuel in opleiding). ‘Of de goedkoopste verf van de Gamma, dat kan ook.’
Ook de knalroze en gifgroene muren vragen een derde laag, en door dat alles heb ik het gevoel dat we amper vooruit geraken. Hadden we maar een huis met minder kamers moeten kopen. Ik zie nu al op tegen de reusachtige woonkamer. De hal met hoge muren zullen we – oef – uitbesteden.
De nieuwe waterpomp die onlangs werd geïnstalleerd, begon al meteen te lekken, en moet dus opnieuw vervangen worden. Zo houdt het nooit op. Of zo lijkt het toch.

Ondertussen onderhouden we twee huizen en twee tuinen. Want de lente is losgebarsten en we kunnen beide tuinen amper bijhouden met maaien. Om over het overal opschietende onkruid nog te zwijgen.

Nu we daar elk weekend doorbrengen, hebben we onze nieuwe buren al vluchtig gespot. De mensen rechts hebben een superverzorgde tuin, zo een waar wij nooit tegenop zullen kunnen. Het is een doolhof van planten met een ingenieus bewateringssysteem, een serre, een sauna, en zelfs een wespenhotel. In hun voortuin waaien telkens weer andere vlaggen. Ik zag er al een van Belgi├ź, een van Europa, maar ook enkele mij onbekende, die volgens mij niet eens tot een land behoren. Het is niet dat we staan te gluren, maar we kunnen er niet naast kijken vanuit onze bovenverdieping.
Links woont een gezin met twee nog kleine jongens met ingewikkelde namen. Hun papa kwam ons een tijd geleden begroeten en welkom heten. En als we hulp nodig hadden …
Hun mama tuiniert in hun voortuin met een rode pet op haar hoofd, en wuift vriendelijk naar ons wanneer we ‘s avonds met gebroken ruggen naar huis rijden.
Aan de overkant van de straat wonen twee stokoude mensen, die zich allebei voortbewegen met behulp van een stok. Om beurten staan ze op hun brede oprit te kijken naar ons huis, naar ons aan het werk achter de grote ramen. Geen glimlach, geen hand in de lucht. Gewoon nieuwsgierig kijken. De man sprak onlangs mijn man aan, toen die een emmer water in een rioolputje aan de straat ging uitgieten. ‘Komen jullie hier wonen?’ vroeg hij. ‘Jawel’, zei mijn man. Dat vertelde hij me nadien, waarop ik vroeg: ‘En? Wenste hij ons welkom?’ Mijn man reageerde: ‘Maar nee, dat is een oude man.’ Alsof oud een excuus is voor stugheid.