Selecteer een pagina

Onlangs fietste ik op een avond samen met N naar huis, na een gezellig etentje met K erbij. N en ik, wij zijn vriendinnen omdat we elkaar al erg lang kennen. We waren in een uitgelaten stemming. Plots begon N over een kennis van haar die depressief is, en hoe ze dat als een last ervaart, maar er tegelijk toch ook gewetenswroeging bij voelt. Omdat ze die persoon het liefst zou mijden nu, zei ze eerlijk. Geen zin heeft in die zwaarte.
Ik antwoordde dat ik op dat moment ook al enkele weken aan het praten was met een vriendin die het erg moeilijk heeft, maar dat ik dat niet als een last ervaar.
‘Pas toch maar op’, waarschuwde N, ‘zorg ervoor dat ze je niet met zich mee naar beneden trekt.’
Die woorden deden een alarmbelletje bij me rinkelen. Niet met betrekking tot mijn depressieve vriendin, maar tot N.
Soms ben ik bang dat als ik ooit eens erg in de put zit, er dan niemand voor me zal zijn. Ook omdat ik het al heb meegemaakt.

Bovenstaand stukje schreef ik enkele dagen geleden.
Aan de telefoon daarnet zei de depressieve vriendin: ‘Ik bel jou omdat ik de mensen uit mijn omgeving al te veel heb belast hiermee, en bang ben dat binnenkort iedereen me beu is.’