Selecteer een pagina

“En voor Vasili Kasjirin, veroordeeld tot de dood door ophanging, werd alles speelgoedachtig: zijn cel, de deur met het kijkgaatje, het klokkenspel van de opwindklok, de keurig gepleisterde vesting, en vooral de met een geweer door de gang stampende opwindpop, maar ook die anderen die hem angstwekkend door het luikje bespiedden en zwijgend zijn eten brachten. Dat wat hij ervoer, was geen angst voor de dood; hij verlangde eerder naar de dood: met zijn eeuwig mysterie en onvatbaarheid was de dood voor de rede toegankelijker dan die woest en onwerkelijk veranderde wereld. Bovendien ging de dood als het ware geheel teniet in die waanzinnige wereld van spoken en opwindpoppen, hij verloor zijn grote mysterieuze betekenis, en werd ook iets mechanisch en alleen daardoor al angstwekkend. Ze zouden halen, vastgrijpen, meevoeren, ophangen en aan benen trekken. Lossnijden, kisten, afvoeren en begraven.
Een mens had de wereld verlaten.
In de rechtszaal was Kasjirin door de nabijheid van zijn kameraden tot zichzelf gekomen, hij had weer even mensen kunnen zien: ze zaten hem te berechten en zeiden iets in mensentaal, luisterden en leken dingen te begrijpen. Maar al bij het afscheid van zijn moeder, met de gruwel van iemand die gek begint te worden en dat beseft, voelde hij helder dat die oude vrouw met zwarte hoofddoek gewoon een knap gemaakte opwindpop was, van het soort dat ‘papa’ en ‘mama’ kan zeggen, maar dan beter. Hij probeerde met haar te spreken, maar dacht bevend:
Mijn god, het is een pop! Een moederpop. En daar staat een soldatenpop, thuis zit een vaderpop en hier een Vasili-Kasjirin-pop.”