Selecteer een pagina

“Toen Negen uit het zicht was, knielde Vier op het asfalt neer en legde zijn handpalmen op het warme oppervlak. Verrukkelijk. De nieuwe formule, ontworpen om giftige uitstoot te verminderen en barsten en kuilen te voorkomen, was heel bijzonder. Van dichtbij leek de weg wel van zijde. Vier ademde diep in en het viel hem op dat de geur veel minder sterk was, het asfalt rook eerder naar havermout, heel anders dan de industriële lucht van vroeger. De dubbele gele lijn was strak en voelde al droog aan. De RS-80 had het prachtig gedaan, dat zou Vier in zijn rapport schrijven. Eens in de zoveel tijd maakte de mens een volmaakte machine, dacht hij, een machine die weinig onderhoud vergt en efficiënt aan de wereld onttrekt wat hij nodig heeft, zijn werk doet en er niets voor terug wil.
Vier kwam weer overeind en liet de totale stilte van de omgeving op zich inwerken. Hij zag geen nederzettingen en hoorde geen mensen. Dit was volmaakte rust: alleen zijn met de weg en de asfalteermachine. Dit was de essentie van het werk; al het andere was overbodig. Hij was op een boerderij opgegroeid en woonde nu op een eiland, en hij was erachter gekomen dat het overgrote deel van de aarde, zeeën, vlakten en bergen leeg en stil was. De natuurlijke staat van de wereld, de overheersende staat, was er een van totale stilte en de onlogische zegen van het geheel was dat de wezens die lawaai maken, bijna de hele mensheid dus, alleen maar nog meer lawaai opzochten, zodat het grootste deel van de planeet leeg en vredig was.”