Selecteer een pagina

“Het bejaarde echtpaar stond op de heuvel naar hun zieltogende kamp te kijken, de kleine woongebouwen, waarvan het merendeel na een halve eeuw nog overeind stond, en de grotere gebouwen waar gecreĆ«erd en opgetreden werd.
‘Ik ben nog niet aan verkopen toe,’ zei Edie. ‘Jij?’
Manny tuurde naar het kamp, dat hij als groen en pluizig zag. De tipi’s waren zo vaag als Monets hooibalen. Ooit was zijn blik zo helder als stromend water geweest. Hij en zijn vrouw hadden het kamp met hun volle aandacht gerund en hadden alle kinderen en kampleiders leren kennen. Hij bedacht hoe oud hij en Edie nu waren. Schokkend eigenlijk hoe oud ze waren geworden, hoe ook jonge, experimenterende bohemiens die bevoorrecht dachten te zijn uiteindelijk oud werden en hoe al hun levenservaringen in de loop van de tijd verwerden tot een goedaardige, zich verspreidende schimmel. Ze waren oud genoeg om dat godvergeten kamp voorgoed achter zich te laten, maar ze waren er nog niet aan toe. ‘Nee, ik wil niet verkopen,’ beaamde hij. ‘Nog niet. Misschien kunnen we iemand vinden die het vollediger van ons overneemt dan Paul heeft gedaan. Iemand die onze visie op het kamp echt begrijpt en tot in de details kan nastreven.'”