Selecteer een pagina

“Maar die vrouw, die vrouw: ze was helemaal bij zichzelf naar binnen gevallen, voorover in haar handen. Het was op de hoek van de rue Notre-Dame-des-Champs. Ik begon langzaam te lopen, zodra ik haar had gezien. Als arme mensen nadenken moet je ze niet storen. Misschien valt het ze toch in.
De straat was te leeg, zijn leegte verveelde zich en trok mijn stappen onder mijn voeten vandaan en klepperde ermee rond, hier en ginder, als met een klomp. De vrouw schrok en kwam uit zichzelf naar boven, te snel, te heftig, zodat haar gezicht in de twee handen achterbleef. Ik kon het daarin zien liggen, zijn holle vorm. Het kostte me een onbeschrijfelijke inspanning om bij deze handen te blijven, en niet te kijken wàt zich eruit had losgescheurd. Ik gruwde ervan een gezicht van binnen te zien, maar nog veel banger was ik voor niets dan die wonde kop zonder gezicht.”