Selecteer een pagina

“De kinderen waren aan het spelen met knikkers die iemand had meegebracht, toen een vrouw opeens uit de schaduw tevoorschijn kwam, ze had een harig, gerimpeld gezicht, een wrattennek en sliertig haar, en ogen als een deurmat waar te veel schoenen aan zijn afgeveegd. Ze graaide naar hun handpalm en voorspelde hun krankzinnige dingen, maar alleen in flarden, omdat ze geen geld hadden voor het hele verhaal.
‘Ik zie een onderzeese gloed, wijnrood, jongen.
Bij een rots-poel word jij, jongeman, loom van most.
Jou, kleintje, zullen ze voor een beetje slavengeld kopen, en de rest gaat noordwaarts.
En jij, meisje, jij zal gloeien als een stervend vuurvliegje in een glazen kooi.’
Ze beloofde de rest te vertellen voor dertig cent per verhaal, wat twee keer zoveel was als de schoenreparatie. En als ze wilden dat zij het lot ten gunste zou keren, kostte dat vijfenzeventig cent, wat veel duurder was dan een hele portie water en brood. Hoewel de kinderen dus meer wilden horen, dwongen ze zichzelf de heksenogen van de vrouw te mijden en deden ze net alsof ze al die onheilspellende woorden die van haar leerachtige lippen waren gerold niet geloofden.
Eindelijk wisten ze haar dan weg te krijgen en voordat ze zich scheldend in een grove vreemde taal tussen de spoorstaven uit de voeten maakte, draaide ze zich nog één keer om, floot en gooide een rijpe sinaasappel naar ze. De sinaasappel raakte de arm van een jongen, jongen zeven, en bleef daarna zonder verder te rollen in het grind liggen.
Hoe nieuwsgierig en gek van de honger ze ook waren, ze durfden hem niet op te rapen. Anderen na hen voelden misschien, net als zij, diezelfde dreiging van die vreemde vrucht uitgaan, want na dagen en zelfs weken lag de sinaasappel er nog steeds, rond, onaangeraakt, groen beschimmeld, met witte kringen op de schil, vanbinnen eerst zoet en daarna bitter gistend, dan langzaam zwart wordend, krimpend, verschrompelend, tot hij tijdens een lange midzomerbui in het grind oploste.”