Selecteer een pagina

“Het meisje heeft ook even in de drinkhal in een sofa gezeten, zo stel ik me voor, met haar voeten bungelend boven de koude, versierde tegels. Maar het was er te druk. De stemmen van de andere mensen galmden door de ruimte. Ze is naar buiten gelopen, waar het stil is. Niets dan het ruisen van de bomen. Af en toe een auto die aan komt rijden over de laan. De komst van iets nieuws wordt ruim van tevoren aangekondigd.
Ze kijkt voor zich uit, over de laan, daarna dwalen haar ogen over het gazon, links en rechts. Op meerdere plaatsen steken pijpjes uit het gras. Ze verspreiden stoomwolkjes, afkomstig van het water dat 77 graden is en uit een diepte van 1200 meter omhoog wordt gepompt. Op eerdere zomermiddagen – zo stel ik me weer voor – zat zij ook op de trap. Deze omgeving heeft ze al zo vaak gezien, haar ogen glijden over de bomen en struiken, als de laatste stralen van de namiddagzon.
Een jongen van een jaar of twaalf lijkt ook ergens op te wachten. Hij ligt op zijn buik in het gras en leest een stripboek. Een zoon hebben, hoe zou dat zijn geweest? Naast hem staat een rugzakje, waarin zijn natte zwemspullen zitten. Uit de korte mouwen van zijn overhemd steken knokige armen. De jongen wordt volledig in beslag genomen door het getekende verhaal dat voor hem ligt.
Ik moet aan de ouders van deze kinderen denken: ze zijn ergens anders maar blijven met een onzichtbare draad met elkaar verbonden. Die oneindige hoeveelheid lijnen van familiebanden die over de wereld gespannen zijn.”