Selecteer een pagina

“Het vullen van het graf duurde bijna een uur. De bejaarden onder de familieleden en vrienden die geen schop meer konden hanteren, hielpen mee door handjes aarde op de kist te gooien, en zelf kon hij ook niets meer doen, dus was het aan Howie en Howies vier zoons en de twee van hemzelf – alle zes uit de kluiten gewassen kerels van rond de dertig – om het zware werk te doen. In ploegen van twee stonden ze naast de berg en schepten, schop na schop, de aarde van de berg terug in de kuil. Om de paar minuten nam een andere ploeg het over, en op een gegeven moment kreeg hij het gevoel dat dit karwei nooit klaar zou zijn, dat ze zijn vader eeuwig zouden blijven begraven. Het enige wat hij kon doen om even nauw betrokken te zijn bij de rauwe directheid van de begrafenis als zijn broer, zijn zoons en zijn neven, was aan de rand van het graf te gaan staan en toe te kijken hoe de aarde zich om de kist sloot. Hij zag hoe de aarde het deksel naderde dat alleen met een davidster in reliëf was versierd, en hij bleef toekijken terwijl de aarde het deksel aan het oog begon te onttrekken. Zijn vader zou niet alleen in die kist moeten liggen, maar ook onder het gewicht van die aarde, en plotseling zag hij het gezicht van zijn vader alsof de kist er niet was, alsof de aarde die ze in het graf gooiden direct op hem terechtkwam, zijn mond vulde, zijn ogen verblindde, zijn neusgaten verstopte en zijn oren afsloot. Hij wilde hun vragen op te houden, hun bevelen niet verder te gaan – niet zijn vaders gezicht te bedekken en de openingen te blokkeren waardoor hij het leven inzoog. Ik heb vanaf mijn geboorte naar dat gezicht gekeken – stop met het begraven van mijn vaders gezicht! Maar ze hadden hun ritme gevonden, die potige kerels, en ze konden niet stoppen en ze wilden niet stoppen, zelfs niet als hij zelf in het graf zou springen en eisen dat er aan de begrafenis een eind werd gemaakt.
(…)
‘Gaat het wel met je?’ vroeg Nancy, en ze sloeg haar armen om hem heen terwijl hij stond te kijken naar de lijnen die de stok in de grond had gemaakt, alsof ze voor een kinderspelletje waren bedoeld. Hij drukte haar dicht tegen zich aan en zei: ‘Ja hoor, het gaat.’ Toen zuchtte hij, en lachte zelfs, terwijl hij zei: ‘Ik weet nu wat het betekent om begraven te worden. Tot vandaag wist ik dat niet.’ ‘Ik heb nog nooit zoiets huiveringwekkends gezien,’ zei Nancy. ‘Ik evenmin,’ zei hij. ‘Kom, we gaan,’ zei hij, en met hem en Nancy en Howie voorop gingen de rouwenden langzaam huns weegs, ook al kon hij zich nog lang niet ontdoen van alles wat hij zojuist had gezien en gedacht, want al liepen zijn voeten weg, zijn gedachten keerden voortdurend terug.
Omdat het tijdens het dichtgooien van het graf flink had gewaaid, proefde hij nog lang de aarde in zijn mond nadat ze de begraafplaats hadden verlaten en naar New York waren teruggereden.”